5. De beoordeling van het geschil
5.1 Ter beoordeling staat of verweerder bij het besluit tot vaststelling van de subsidie op grond van de Subsidieregeling terecht de subsidie van de provincie Limburg in mindering heeft gebracht op de subsidieverlening van maximaal € 6.400,-.
5.2 Krachtens artikel 5, eerste lid, Kaderbesluit wordt bij ministeriële regeling de wijze van berekenen van de subsidie of de hoogte van de subsidie bepaald. Op grond van artikel 6, eerste lid, Kaderbesluit wordt, indien reeds door een bestuursorgaan subsidie is verstrekt voor de subsidiabele kosten of een deel daarvan, slechts een zodanig bedrag aan subsidie verstrekt dat het totale bedrag aan subsidies niet meer bedraagt dan het bedrag dat krachtens dit besluit kan worden verstrekt. In de Subsidieregeling is in artikel 3.1.4 bepaald dat bij de toepassing van artikel 6, eerste lid, Kaderbesluit subsidies op grond van het Besluit stimulering duurzame energieproductie en het Besluit subsidies regionale investeringsprojecten 2000, en bijdragen van de Commissie van de Europese Gemeenschappen op grond van het Zevende Kaderprogramma voor activiteiten op het gebied van onderzoek, technologische ontwikkeling en demonstratie, buiten beschouwing worden gelaten. Subsidies op grond van de Nadere subsidieregels Limburgse Energie Subsidie 2010-2012 zijn in deze bepaling niet genoemd. Derhalve is in de Subsidieregeling geen gebruik gemaakt van de afwijkingsmogelijkheid die artikel 6, derde lid, Kaderbesluit biedt, zodat de hoofdregel van artikel 6, eerste lid, Kaderbesluit van toepassing is.
5.3 Gelet hierop is het totale bedrag aan subsidies dat krachtens het Kaderbesluit, in samenhang met artikel 3.1.3 van de Subsidieregeling, voor de warmtepomp kan worden verstrekt € 6.400,-. Nu appellant op grond van de Nadere subsidieregels Limburgse Energie Subsidie 2010-2012 al een subsidie van € 1.500,- voor de warmtepomp is verleend, kan verweerder appellant slechts een subsidie van € 4.900,- verstrekken.
5.4 Appellant heeft zich beroepen op het vertrouwen dat hij heeft ontleend aan gesprekken met medewerkers van respectievelijk de provincie Limburg en verweerder, waarin hem zou zijn toegezegd dat hij van beide bestuursorganen subsidie zou kunnen krijgen voor de warmtepomp en dat de subsidie van de Provincie Limburg niet in mindering zou worden gebracht op de subsidie van verweerder. Appellant heeft verklaard niet meer te weten met welke medewerker van verweerder hij heeft gesproken, noch te weten wanneer het gesprek heeft plaatsgevonden.
Het College stelt vast dat appellant niet heeft aangetoond dat hem door een daartoe bevoegde ambtenaar namens verweerder een concrete toezegging is gedaan waaraan appellant het gerechtvaardigd vertrouwen zou kunnen ontlenen dat de door hem van de provincie Limburg ontvangen subsidie niet in mindering zou worden gebracht op het subsidiebedrag op grond van de Subsidieregeling. Naar het oordeel van het College kan het beroep van appellant op het vertrouwensbeginsel daarom niet slagen.
5.5 Gelet op het voorgaande is het beroep ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.