ECLI:NL:CBB:2013:147
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Verzet
- Rechtspraak.nl
Verzet tegen kennelijk ongegronde uitspraken over vaststelling bedrijfstoeslag afgewezen
Indiener heeft verzet ingesteld tegen uitspraken van het College die zijn beroepen tegen beslissingen van de Staatssecretaris van Economische Zaken kennelijk niet-ontvankelijk en kennelijk ongegrond verklaarden. Het College had geoordeeld dat indiener geen procesbelang had bij zijn beroep omdat de maximale bedrijfstoeslag reeds was toegekend.
Indiener voerde aan dat hij wel belang had bij een uitspraak over de vaststelling van de perceelsoppervlakte vanwege de koppeling met de Meststoffenwet en mogelijke doorwerking naar latere jaren, wat gevolgen kan hebben voor het gebruik van aangekochte toeslagrechten. Het College oordeelde echter dat dit belang onvoldoende is om procesbelang aan te nemen bij het beroep gericht op de bedrijfstoeslag.
Het College benadrukte dat het ontbreken van procesbelang betekent dat het beroep niet-ontvankelijk is. Daarnaast wees het College erop dat de vaststelling van landbouwgrond voor de Meststoffenwetgeving met een apart besluit kan worden aangevochten en dat de vaststelling in de bedrijfstoeslag niet als definitief geldt voor die wetgeving.
De strekking van een nieuwsbrief van de Staatssecretaris uit 2011 werd door het College niet gezien als een bindende doorwerking van de perceelsoppervlakte naar latere jaren. Het verzet werd daarom ongegrond verklaard en de eerdere uitspraken bleven in stand. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het verzet wordt ongegrond verklaard en de eerdere uitspraken blijven in stand.