Appellant, een landbouwer, maakte bezwaar tegen de vaststelling van zijn bedrijfstoeslag 2010, waarbij de oppervlakte van zijn gewaspercelen centraal stond. Verweerder had bij het primaire besluit een deel van de opgegeven oppervlakte afgekeurd en een korting opgelegd. Appellant stelde dat de oppervlakte moest worden gebaseerd op GPS-metingen van de Algemene Inspectiedienst met toepassing van een meettolerantie van 1,5 meter.
Het College overwoog dat de meettolerantie van 1,5 meter een maximale afwijking op de omtrek betreft en niet integraal bij de gemeten oppervlakte mag worden opgeteld, omdat dit zou leiden tot een systematisch te hoge oppervlaktevaststelling. Daarnaast onderzocht het College de verschillen tussen de GPS-meting en de administratieve AAN-laagmeting, waarbij het aannemelijk werd geacht dat sommige niet-subsidiabele elementen onterecht in de GPS-meting waren meegenomen.
Verder oordeelde het College dat een verrommeld stuk landbouwgrond niet zonder meer als niet-subsidiabel kon worden aangemerkt, omdat de verrommelde toestand mogelijk korter dan 90 dagen bestond. Ook een onbeteeld stukje grond in perceel 8 kon niet worden uitgesloten als subsidiabel. Het College droeg verweerder op het besluit te herstellen door deze oppervlaktes als subsidiabel aan te merken en de toeslag opnieuw vast te stellen. De einduitspraak volgt na herstel van het besluit.