Westland Infra Netbeheer B.V. stelde beroep in tegen een besluit van de Autoriteit Consument en Markt (ACM) waarin een methodebesluit voor de vijfde reguleringsperiode van regionale netbeheerders elektriciteit werd gewijzigd. Het geschil betrof de wijze waarop kosten van decentrale invoeding van elektriciteit in de regulering worden betrokken, waarbij Westland bezwaar maakte tegen de toepassing van een bestuurlijke lus en de vergoeding van deze kosten via de reguliere kosten van netbeheerders.
Het College oordeelde dat het beroep ongegrond is. Het verwierp de stelling van Westland dat het College in de eerdere tussenuitspraak onjuiste feitelijke veronderstellingen had gehanteerd en dat het College ten onrechte terug moest komen op dat oordeel. Het College bevestigde dat de vergoeding van decentrale invoeding via reguliere kosten aanvaardbaar is zolang er geen tariefdrager voor invoeding bestaat.
Verder concludeerde het College dat ACM binnen haar beoordelingsruimte handelde door decentrale invoeding niet als objectief regionale verschillen (ORV) aan te merken, en dat het toepassen van de bestuurlijke lus in deze zaak gerechtvaardigd was. Ook het betoog dat het besluit in strijd zou zijn met Europese regelgeving werd verworpen, mede omdat ACM de x-factor voor Westland had aangepast om een redelijke vergoeding te waarborgen.
Het College verklaarde het beroep ongegrond en wees een proceskostenveroordeling af. De uitspraak werd gedaan door de meervoudige kamer op 2 juli 2013.