ECLI:NL:CBB:2013:BZ1696
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Hoger beroep
- W.A.J. van Lierop
- W.E. Doolaard
- J.A.M. van den Berk
- Rechtspraak.nl
Bestuurlijke boetes Meststoffenwet: gebruiksrecht en feitelijke beschikkingsmacht bij landbouwgrond
In deze zaak stond centraal of de staatssecretaris terecht bestuurlijke boetes oplegde aan A c.s. wegens overschrijding van gebruiksnormen voor meststoffen volgens de Meststoffenwet. De discussie betrof of de in 2007 gehuurde percelen landbouwgrond in Friesland en Noord-Holland tot het bedrijf van A c.s. behoorden.
De staatssecretaris had deze percelen buiten beschouwing gelaten bij de berekening van de gebruiksnormen, omdat hij meende dat de percelen niet feitelijk in gebruik waren en A c.s. niet de beschikkingsmacht hadden. De rechtbank had dit oordeel deels bevestigd en de boetes gematigd.
Het College oordeelde dat de wet en de memorie van toelichting geen voorwaarde stellen dat de grond daadwerkelijk in gebruik moet zijn, maar dat bepalend is of de landbouwer de feitelijke beschikkingsmacht heeft. Uit bewijsstukken bleek dat A c.s. exclusief gebruiksrecht en feitelijke beschikkingsmacht hadden, ook al werden werkzaamheden door derden uitgevoerd. Het hoger beroep van A c.s. werd gegrond verklaard, het besluit van de staatssecretaris vernietigd en de boetes komen daarmee te vervallen.
Daarnaast veroordeelde het College de staatssecretaris tot vergoeding van proceskosten en griffierecht aan A c.s.
Uitkomst: Het hoger beroep van A c.s. wordt gegrond verklaard en het besluit van de staatssecretaris vernietigd wegens feitelijke beschikkingsmacht over de landbouwgrond.