ECLI:NL:CBB:2019:362
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond verklaring beroep tegen korting fosfaatrecht wegens grondgebondenheid melkveebedrijf
Appellant, exploitant van een melkveebedrijf, voerde beroep aan tegen een besluit van de minister van Landbouw waarbij een korting op zijn fosfaatrecht werd toegepast. Deze korting was gebaseerd op het feit dat het natuurlijk grasland waarop appellant een gras op stam overeenkomst had met een stichting, niet tot zijn bedrijf werd gerekend omdat hij niet de feitelijke beschikkingsmacht had over deze grond.
Het College overwoog dat voor de grondgebondenheid van het fosfaatrecht van belang is of de landbouwer het teelt- en bemestingsplan op elkaar kan afstemmen en feitelijke beschikkingsmacht heeft over de landbouwgrond. Hoewel appellant het gras kocht en het recht had om na overleg met de terreinbeheerder de percelen te beweiden, was hij niet eigenaar en kon hij niet zelfstandig het beheer bepalen.
Daarmee had appellant niet de feitelijke beschikkingsmacht over het natuurlijk grasland en was het terecht dat deze grond niet werd meegenomen bij het bepalen van zijn fosfaatruimte. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de korting op het fosfaatrecht is ongegrond verklaard omdat appellant niet de feitelijke beschikkingsmacht had over het natuurlijk grasland.