ECLI:NL:CBB:2013:BZ4406
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste en enige aanleg
- Rechtspraak.nl
Bestuursrechtelijke toetsing randvoorwaardenkorting bij niet-emissiearme bemesting
Appellant betwistte de opgelegde randvoorwaardenkorting op de GLB-inkomenssteun omdat volgens hem de mest op juiste wijze in smalle stroken op en in de grond was gebracht op 22 februari 2011. De controle vond echter op 25 februari plaats, waarbij mest niet meer zichtbaar was en humus werd aangezien voor mest. De controleur constateerde dat de mest niet in sleufjes was gebracht, maar grotendeels op de bodem lag.
Verweerder stelde dat de mest niet-emissiearm was uitgereden en dat de controleur geen humus had aangezien voor mest. Het College stelde vast dat de randvoorwaarde op grond van het Besluit gebruik meststoffen vereist dat mest onmiddellijk in sleufjes van maximaal 5 cm breedte in de grond wordt gebracht. Dit was niet nageleefd, wat appellant aan te rekenen is.
De vrijspraak van de loonwerker in de strafrechtelijke procedure deed hieraan niet af, omdat de bestuursrechter niet gebonden is aan het strafrechtelijke oordeel en een andere rechtsvraag en procesrecht van toepassing is. Ook het argument dat appellant geen mogelijkheid tot herstel werd geboden, faalde omdat de randvoorwaardenkorting op grond van de Verordening (EG) nr. 1122/2009 niet afhankelijk is van een herstelmogelijkheid.
Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenvergoeding toegekend.
Uitkomst: Het beroep tegen de randvoorwaardenkorting wordt ongegrond verklaard en de korting blijft van toepassing.