Uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
Uitspraak van de meervoudige kamer van 12 maart 2014 in de zaak tussen
Melkveebedrijf [naam 1] v.o.f, te [vestigingsplaats], appellante
het Productschap Zuivel, verweerder
Procesverloop
9 februari 2012 gericht geachte beroep.
Overwegingen
Het beroep voor zover gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit
In het bestreden besluit merkt verweerder omtrent de stelling van appellante dat zij van [naam 3] een bedrag van € 250.952,50 (post A: inhouding melkgeld december 2008 van
€ 91.125,34; post B: inhouding melkgeld juli 2009 van € 130.699,26; post C: correctie op inhouding melkgeld juli 2009 van € 27.079,07; post D: enkele kleinere correcties en post E: rente van € 68.177,85) tegoed heeft en dat dit bedrag voldoende is om de openstaande superheffingsschuld van 2009/2010 te dekken, op dat de bedragen van de posten A enB door [naam 3] op geen enkele wijze in de administratie zijn verwerkt als zijnde ingehouden ten behoeve van superheffing. Evenmin zijn deze bedragen gebruikt voor betaling van de superheffing 2008/2009. Daarmee is volgens verweerder aangetoond dat [naam 3] de door appellante verschuldigde superheffing voor 2009/2010 niet geheel heeft geïnd; met betrekking tot de posten C en D is verweerder echter, gelet op de verschillen tussen de melkgeldnota’s en de grootboekoverzichten, bereid te aanvaarden dat deze verschillen moeten worden aangemerkt als zijnde geïnd voor de heffingsperiode 2009/2010. Met betrekking tot post E heeft verweerder ten slotte opgemerkt dat niet valt in te zien dat over het bedrag dat [naam 3] in het kader van de superheffing heeft geïnd, rente moet worden berekend: de koper heeft immers in het kader van de superheffingsregeling de mogelijkheid reeds gedurende de heffingsperiode tot inhouding van de door de overschrijdende producent verschuldigde superheffing over te gaan. Evenmin blijkt op grond van welke afspraak tussen appellante en [naam 3] rente zou zijn verschuldigd.
€ 29.135,99 aangemerkt als inhoudingen ten behoeve van de door appellante verschuldigde superheffing 2009/2010. Vanwege een op de openstaande vordering inzake superheffing door Dienst Regelingen toegepaste verrekening, is de superheffingsschuld nogmaals verminderd met € 40.530,27. Uiteindelijk resteert een superheffingsschuld van € 190.071,13.
€ 250.952,50. Nog daargelaten dat het bestaan van deze vorderingen wordt betwist door verweerder, blijkt niet dat [naam 3] en appellante hebben afgesproken dat rente verschuldigd is over de nabetalingen. Het is niet gebruikelijk dat over inningen inzake superheffing rente wordt berekend omdat de koper bevoegd is om al gedurende de heffingsperiode over te gaan tot inhouding van superheffing. Mocht renteopslag onderdeel zijn van de door [naam 3] en appellante gemaakte afspraken, dan zou op de in de maanden mei tot en met augustus 2008 door [naam 3] bij appellante ingehouden bedragen een rentebedrag in meerdering moeten zijn gebracht. Dit blijkt echter niet uit de administratie van [naam 3] noch uit die van appellante. [naam 3] heeft ook niet verklaard dat rente verschuldigd is.
In dit licht bezien kunnen de door appellante genoemde bedragen van € 91.125,34 (jaar 2008) en € 130.699,26 (jaar 2009) niet worden beschouwd als gelden die door [naam 3] zijn “geïnd” met het oog op verschuldigde superheffing. Blijkens het door de AID verrichte onderzoek zijn deze bedragen niet aangetroffen op de melkgeldafrekeningen, grootboekoverzichten en creditnota’s in het dossier. Voor de stelling van appellante dat een aantal producenten, waaronder appellante, met [naam 3] zou hebben afgesproken dat een hoeveelheid melk zou kunnen worden verwerkt tot melkpoeder, waarbij een nabetaling zou volgen ten bedrage van het verschil tussen de verkoopprijs van de melkpoeder en de verhoudingsgewijs lage voorschotprijs, is in de overgelegde stukken geen enkel bewijs aangetroffen. Nu [naam 3] uitdrukkelijk heeft betwist dat appelante nog bedragen tegoed zou hebben, is geen sprake van een vaststaande vordering en heeft verweerder terecht aangenomen dat die bedragen niet als “geïnde superheffing” kunnen worden aangemerkt.
Beslissing
- verklaart het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit gegrond;
- stelt de verschuldigde dwangsom vast op € 940;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van appellante ad € 121,75 (1 punt voor het beroepschrift van 11 januari 2012, wegingsfactor 0,25);
- bepaalt dat verweerder aan appellante het door haar betaalde griffierecht ad € 310 vergoedt;
- verklaart het beroep tegen het besluit van 9 februari 2012 ongegrond.
mr. J. Schukking, in aanwezigheid van mr. E. van Kerkhoven, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 12 maart 2014.