Uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
Uitspraak van de meervoudige kamer van 23 januari 2014 in de zaak tussen
[bedrijfsnaam], te [vestigingsplaats], appellante
de Autoriteit Consument en Markt (ACM), verweerster
Enexis B.V., te ‘s-Hertogenbosch
Procesverloop
Overwegingen
In de uitspraak van 30 december 2010 heeft het College ACM opgedragen een nieuw besluit te nemen. In de uitspraak van 1 februari 2012 (ECLI:CBB:2012:BV3169) heeft het College, oordelend over het nieuwe besluit van ACM, bepaald dat Enexis niet op grond van artikel 29, tweede lid, van de Wet aan appellante een transporttarief in rekening mag brengen voor de verbindingen tussen het door Enexis beheerde MS-net en het door appellante beheerde particuliere net.
Op grond van artikel 24, eerste lid van de Wet is het een netbeheerder slechts toegestaan voor het door hem uitgevoerde transport tarieven in rekening te brengen die gereguleerd zijn door de Wet. Artikel 29, vierde lid van de Wet biedt de grondslag voor het opstellen van een (specifieke) tariefstructuur voor niet-afnemers, zoals appellante. Voor deze specifieke tariefstructuur is een AMvB vereist. De wetgever heeft er vooralsnog van afgezien deze AMvB tot stand te brengen. Hieruit moet worden afgeleid dat artikel 29, vierde lid, van de Wet er vooralsnog aan in de weg staat dat bij netgebruikers niet zijnde afnemers een gereguleerd transporttarief in rekening wordt gebracht. Het is Enexis daarom niet toegestaan bij appellante aan tarief voor transport in rekening te brengen.
De regeling voor transport over landsgrensoverschrijdende verbindingen richtte zich niet tot de regionale netbeheerders, maar tot de landelijk netbeheerder. Het is goed verklaarbaar dat in de wetsgeschiedenis bij deze regeling ook producenten, leveranciers en (groot)handelaars als partijen worden genoemd die een netbeheerder kunnen vragen om een transportdienst voor hen uit te voeren. De situatie ten tijde van de parlementaire behandeling was aldus dat slechts een beperkte groep in aanmerking komende afnemers rechtstreeks toegang had tot de markt en het net. Bovendien verschilde die situatie per lidstaat. Binnen die context is het begrijpelijk om naast afnemers ook aan producenten, leveranciers en (groot)handelaars onder bepaalde voorwaarden recht van reciprociteit toe te kennen op grensoverschrijdend transport. Deze situatie is echter niet te vergelijken met het actuele afnemersbegrip. Elke afnemer heeft immers via zijn aansluiting toegang tot het Europese elektriciteitsnetwerk, behoudens situaties van congestie. Uit de inmiddels verdwenen regeling voor transport over landsgrensoverschrijdende verbindingen kan daarom niet worden afgeleid dat ook andere partijen dan afnemers recht hebben op transport.
Voor transport van elektriciteit kan alleen een tarief waarin de Wet voorziet, in rekening worden gebracht. De vergoeding die Enexis hier aan appellante in rekening heeft gebracht, is niet een tarief waarin de Wet voorziet. Hieruit volgt dat Enexis met de in rekening gebrachte vergoeding voor transport heeft gehandeld in strijd met artikel 29, tweede lid, van de Wet.
Beslissing
- herroept het besluit van 31 juli 2012;
- verklaart de door appellante ingediende klacht gegrond en bepaalt dat Enexis niet op grond van artikel 29, tweede lid, van de Wet aan appellante een vergoeding in rekening mocht brengen voor het transport voor de verbindingen tussen het door Enexis beheerde MS-net en het door appellante beheerde particuliere net;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 944,- ;
- bepaalt dat verweerder aan appellante het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 310,- vergoedt.