Uitspraak
De Bijenstichting, te Kolhorn (hierna: de Bijenstichting), appellante,
gemachtigde: mr. L.J. Smale,
Makhtesim-Agan Holland B.V.(hierna ook: Makhtesim), te Leusden,
1.De procedure
2.De grondslag van het geschil
- Verweerder heeft bij brief van 12 juli 2011 enkele stukken die in ieder geval niet voor geheimhouding in aanmerking kwamen aan de Bijenstichting ter beschikking gesteld.
- Verweerder heeft de toelatinghouders van de gewasbeschermingsmiddelen waar de hiervoor bedoelde verzoeken van de Bijenstichting om openbaarmaking op zagen, in de gelegenheid gesteld om op deze verzoeken te reageren. In haar reactie heeft BCS aan verweerder gevraagd om de gevraagde gegevens niet openbaar te maken omdat openbaarmaking een inbreuk op het auteursrecht oplevert, de vertrouwelijkheid van commerciële of industriële informatie zich tegen openbaarmaking verzet en omdat openbaarmaking het recht op dataprotectie, zoals neergelegd in artikel 27 en Pro artikel 43 Wet Pro gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Wgb), uitholt. BCS heeft de Bijenstichting daarnaast voorgesteld om door middel van een zogenoemde reading room kennis te nemen van de desbetreffende gegevens. Bij brief van 20 juni 2012 heeft de Bijenstichting dit voorstel van de hand gewezen.
- Bij besluit van 9 juli 2012 heeft verweerder de verzoeken om openbaarmaking afgewezen omdat – kort gezegd – de verzoeken geen betrekking hebben op informatie omtrent “emissies in het milieu” en een afweging tussen het algemene belang bij openbaarmaking enerzijds en het specifieke belang bij geheimhouding van de toelatinghouders anderzijds een openbaarmaking niet rechtvaardigt.
- Tegen het besluit van 9 juli 2012 heeft de Bijenstichting bij brief van 17 augustus 2012 bezwaar gemaakt. Bij brief van 3 september 2012 heeft de Bijenstichting de gronden van haar bezwaar aangevuld.
- Op 17 oktober 2012 heeft de hoorzitting van de Adviescommissie voor de bezwaarschriften van het Ctgb (hierna: Adviescommissie) plaatsgevonden.
- Bij brief van 31 december 2012 heeft de Adviescommissie haar advies toegezonden aan het Ctgb.
- Bij brief van 9 januari 2013 heeft de Bijenstichting het Ctgb schriftelijk in gebreke gesteld wegens het niet-tijdig nemen van een besluit.
- Bij besluit van 18 maart 2013 heeft het Ctgb beslist op het bezwaar van de Bijenstichting (het bestreden besluit).
- Tegen het bestreden besluit hebben BCS en de Bijenstichting beroep ingesteld. Voorts hebben partijen een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend.
- Bij uitspraken van 10 april 2013 (ECLI:NL:CBB:2013:BZ6769 en ECLI:NL:CBB:2013:BZ6772) heeft de voorzieningenrechter van het College het verzoek om voorlopige voorziening van de Bijenstichting – er in de kern op neerkomend om de 49 door verweerder nog geheim gehouden documenten alsnog geopenbaard te krijgen – afgewezen en het verzoek om voorlopige voorziening van BCS – er in de kern op neerkomend om de documenten die verweerder op korte termijn openbaar wil maken voorlopig geheim te houden – toegewezen. De voorzieningenrechter heeft bepaald dat het bestreden besluit is geschorst tot de einduitspraak op het beroep van BCS in de onderhavige procedure.
3.Het bestreden besluit
Wat betreft studies die niet zien op emissies in het milieu geldt, volgens verweerder, dat de belangen bij openbaarmaking dienen te worden afgewogen tegen de belangen van de toelatinghouder bij geheimhouding. Deze belangenafweging is per studie gemaakt en weergegeven in de bijlage bij het bestreden besluit. In zijn algemeenheid geldt dat in de belangenafweging een rol spelen: dataprotectie, auteursrechten, investeringskosten en financieel/commerciële belangen. De mogelijkheid om via een zogenoemde reading room kennis te kunnen nemen van de documenten, speelt hierbij evenwel geen rol. Ten aanzien van de investeringskosten geldt dat deze, hoewel niet op studieniveau gespecificeerd en/of geconcretiseerd, wel door BCS aannemelijk zijn gemaakt en in de belangenafweging worden betrokken. Het door BCS gevreesde omzetverlies is echter zodanig algemeen gesteld dat dit aspect slechts een marginale rol kan spelen in de belangenafweging, aldus verweerder in het bestreden besluit.
4.Toetsingskader en bevoegdheid van het College
5.De standpunten van partijen en de beoordeling van het College
belicht.
Het College volgt partijen in die suggesties niet ten volle, omdat een deel van die suggesties vragen betreft waarvan de beantwoording ofwel niet noodzakelijk is voor de beslechting van de voorliggende geschillen ofwel omdat op het desbetreffende punt geen sprake is van tot het stellen van prejudiciële vragen nopende twijfel bij het College. Dienaangaande overweegt het College het volgende.
gedaan - heeft zich tussen partijen een debat ontsponnen over de vraag wat nu precies de rol van een reading room hier in het kader van de toepasselijke regelgeving is of zou behoren te zijn en is gesuggereerd dat ook op dit punt aanleiding bestaat tot het stellen van bepaalde vragen aan het Hof van Justitie.
Dienaangaande overweegt het College in de eerste plaats dat het geen twijfel lijdt dat een zodanig aanbod, nu dit slechts een relatieve openbaarmaking betreft, niet kan worden aangemerkt als "openbaarmaking" als bedoeld in de Milieu-Informatierichtlijn. Evenmin lijdt het naar het oordeel van het College twijfel dat de toepasselijke Unieregelgeving ruimte biedt om het gegeven dat een zodanig aanbod is gedaan een rol te laten spelen in de beoordeling van de door het bestuursorgaan bij openbaarmaking gepleegde belangenafweging, de motivering en de toepassing van het processuele verdedigingsbeginsel in concreto, wanneer het verzoek om openbaarmaking de (wijziging van de) toelatingsbeslissing als inzet heeft. Door de mogelijkheid van kennisname van de stukken via de reading room wordt de Bijenstichting immers in de gelegenheid gesteld om in een procedure die een (wijziging van een) toelating als inzet heeft haar stellingen te specificeren en haar argumenten gedetailleerd te ontvouwen. De door de Bijenstichting opgeworpen vraag of onderscheid moet worden gemaakt tussen enerzijds openbaarmaking naar aanleiding van een verzoek om openbaarmaking op grond van Richtlijn 2003/4 en anderzijds de toezending van processtukken als procespartij kan voorts naar het oordeel van het College zonder meer bevestigend worden beantwoord.
Daarom ziet het College ook op dit punt af van het stellen van prejudiciële vragen.
standpunten van partijen hangt de beslechting van het onderhavige geschil voorts af van de beantwoording van de vraag hoe de term “emissies in het milieu” in artikel 4, tweede lid, van de Milieu-Informatierichtlijn moet worden uitgelegd.
gedeeltelijk - door verweerder openbaar gemaakt had moeten worden, en bij die beslissing vragen van uitleg van het hier toepasselijke Unierechtelijke normatieve kader aan de orde zijn, dragen deze vragen een gedetailleerd karakter.
6.De beslissing
proefopstelling in bijvoorbeeld de lucht of op de bodem, bladeren, pollen of nectar van een gewas (dat is voortgekomen uit behandeld zaad) in honing of op niet- doelwit organismen, onder “emissies in het milieu” worden begrepen?
op 12 september 2014.