ECLI:NL:CBB:2014:385

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Datum uitspraak
9 oktober 2014
Publicatiedatum
16 oktober 2014
Zaaknummer
AWB 12/683
Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Proceskostenveroordeling
Rechters
  • W.E. Doolaard
  • B. Verwayen
  • P.M. van der Zanden
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:57 AwbBesluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen tariefbeschikking en afschrijving OK-units in gezondheidszorg

De Stichting Ziekenhuisgroep Twente heeft beroep ingesteld tegen een tariefbeschikking van de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) met betrekking tot de nacalculatie 2010. Na gedeeltelijke gegrondverklaring van bezwaar door de NZa volgde een tussenuitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven waarin de NZa werd opgedragen het besluit te herstellen.

Naar aanleiding hiervan nam de NZa op 24 juli 2014 een nieuw besluit waarin een aanvullende versnelde afschrijving voor OK-units werd gehonoreerd. Appellante maakte geen gebruik van de mogelijkheid tot het indienen van een zienswijze tegen dit besluit. Het College oordeelde dat het beroep tegen dit nieuwe besluit ongegrond is omdat er geen nadere bezwaren zijn ingebracht.

Het beroep tegen het eerdere besluit van 19 juni 2012 werd niet-ontvankelijk verklaard omdat appellante geen belang meer had bij vernietiging. Daarnaast werd de NZa veroordeeld tot vergoeding van het betaalde griffierecht en de proceskosten van appellante, omdat de procedure voortvloeide uit het bestreden besluit.

Uitkomst: Beroep tegen besluit 19 juni 2012 niet-ontvankelijk, beroep tegen besluit 24 juli 2014 ongegrond, verweerster veroordeeld tot vergoeding griffierecht en proceskosten.

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

Zaaknummer: 12/683
13950

uitspraak van de meervoudige kamer van 9 oktober 2014 in de zaak tussen

Stichting Ziekenhuisgroep Twente, te Almelo, appellante

(gemachtigde: mr. C.J. de Boer),
en

de Nederlandse Zorgautoriteit, verweerster

(gemachtigden: mrs. J.J. Rijken en H.M. den Herder).

Procesverloop

Verweerster heeft bij tariefbeschikking van 26 september 2011 de nacalculatie 2010 verwerkt van appellante.
Bij besluit van 19 juni 2012 heeft verweerster het bezwaar van appellante tegen voormelde tariefbeschikking gedeeltelijk gegrond verklaard.
Appellante heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.
Bij tussenuitspraak van 13 mei 2014 (ECLI:NL:CBB:2014:183) heeft het College verweerster opgedragen om het gebrek in het bestreden besluit te herstellen dan wel een ander besluit daarvoor in de plaats te nemen.
Naar aanleiding van de tussenuitspraak heeft verweerster het besluit van 24 juli 2014 genomen.
Appellante heeft geen gebruik gemaakt van de gelegenheid om een zienswijze in te dienen naar aanleiding van het besluit 24 juli 2014.
Het College heeft met toepassing van artikel 8:57, tweede lid, aanhef en onder d, van de Algemene wet bestuursrecht bepaald dat een nader onderzoek ter zitting achterwege blijft.
Op 10 september 2014 heeft het College het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Voor de voorgeschiedenis en achtergrond van het geschil verwijst het College naar de tussenuitspraak.
2. Het College staat voor de vraag of verweerster met het besluit van 24 juli 2014 heeft voldaan aan de in de tussenuitspraak gegeven opdracht met betrekking tot de OK-units. Het College constateert dat gelet op de tekst van het besluit van 24 juli 2014 een nieuwe herbeoordeling van de bezwaren van appellante heeft plaatsgevonden en dat naar aanleiding van die nieuwe beoordeling verweerster een aanvullende versnelde afschrijving heeft gehonoreerd voor de OK-units.
Appellante heeft van de haar geboden gelegenheid om over dit besluit haar zienswijze naar voren te brengen geen gebruik gemaakt. Het College moet op basis daarvan aannemen dat het besluit bij appellante niet op nadere bezwaren gestuit is. Derhalve zal het College het beroep, voor zover dit zich richt tegen het besluit van 24 juli 2014, ongegrond verklaren
3. Het besluit van 19 juni 2012 zoals dat voorlag in de tussenuitspraak is daarmee gedeeltelijk herzien. Dat appellante in het kader van haar beroep nog belang heeft bij een vernietiging van dit besluit, is gesteld noch gebleken. Het beroep tegen dit besluit zal dan ook niet-ontvankelijk worden verklaard.
4. Het College ziet aanleiding te bepalen dat verweerster aan appellante het door haar betaalde griffierecht vergoedt omdat de procedure is ontstaan naar aanleiding van het bestreden besluit.
5. Om dezelfde reden ziet het College aanleiding verweerster te veroordelen in de door appellante gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt het College op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 974,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde van € 487,- per punt en een wegingsfactor 1).

Beslissing

Het College:
  • verklaart het beroep tegen het besluit van 19 juni 2012 niet-ontvankelijk;
  • verklaart het beroep tegen het besluit van 24 juli 2014 ongegrond;
  • draagt verweerster op het betaalde griffierecht van € 310,- aan appellante te vergoeden;
  • veroordeelt verweerster in de proceskosten tot een bedrag van € 974,- te betalen aan appellante.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W.E. Doolaard, mr. B. Verwayen en mr. P.M. van der Zanden in aanwezigheid van mr. F.E. Mulder, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 oktober 2014.
w.g. W.E. Doolaard w.g. F.E. Mulder