Appellant exploiteert een landbouwbedrijf en vroeg subsidie aan in het kader van de Regeling LNV-subsidies jonge landbouwers 2010. De subsidie werd verleend op 19 oktober 2010, maar appellant had vóór die datum een geldlening afgesloten voor de subsidiabele investering. Verweerder stelde de subsidie daarom bij vaststelling op nihil en verklaarde het bezwaar ongegrond.
Appellant voerde aan dat hij niet gehoord was en dat sprake was van overmacht omdat hij onder druk van de bank moest herfinancieren kort voor de subsidietoezegging. Het College oordeelde dat appellant had afgezien van een hoorzitting en dat de lening vóór subsidieverlening was aangegaan, waarmee hij niet voldeed aan de Regeling.
Het College stelde vast dat verweerder terecht de subsidie op nihil heeft vastgesteld en dat er geen sprake was van bijzondere omstandigheden die afwijking rechtvaardigen. De nadelige gevolgen liggen binnen de risicosfeer van appellant. Het beroep werd ongegrond verklaard zonder proceskostenveroordeling.