Verzoeker, een tandarts, heeft een voorlopige voorziening gevraagd tegen de per 1 juli 2015 aangekondigde verlaging van de maximumtarieven voor tandheelkundige zorg door de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa). Hij betoogde dat het besluit onmiskenbaar onrechtmatig is omdat de tarieven zijn vastgesteld op basis van gemiddelde kosten en productie, wat nadelig uitpakt voor solopraktijken zoals de zijne. Tevens stelde hij dat hij door eerdere tariefvaststellingen al aanzienlijke schade had geleden.
De NZa heeft het bezwaar van verzoeker tegen de tariefverlaging ongegrond verklaard en stelde dat de verlaging zorgvuldig tot stand is gekomen na uitgebreid onderzoek en overleg met brancheorganisaties. De voorzieningenrechter oordeelde dat verzoeker onvoldoende spoedeisend belang had bij het treffen van een voorlopige voorziening. Er was geen sprake van onmiskenbare onrechtmatigheid en de door verzoeker gestelde schade was niet direct gerelateerd aan het bestreden besluit.
Ook het verzoek om een dwangsom wegens het achterhouden van stukken werd afgewezen, omdat dit niet aan de orde is in een voorlopige voorziening procedure. De voorzieningenrechter wees het verzoek om voorlopige voorziening af en gaf geen aanleiding tot proceskostenveroordeling.