Appellant, aubergineteler, maakte bezwaar tegen de verhoging van de bijzondere heffing voor aubergines over 2012, opgelegd door het Productschap Tuinbouw en bevestigd door de minister van Economische Zaken. De verhoging volgde op een enquête waarbij niet het vereiste percentage telers instemde, maar het bestuur stelde het tarief toch vast.
Het College overwoog dat de enquête slechts een advieskarakter had en niet bindend was voor het bestuur. De brief van het Productschap gaf geen gerechtvaardigd vertrouwen dat bij onvoldoende draagvlak de verhoging niet zou plaatsvinden. Bovendien was appellant via een latere brief correct geïnformeerd over de feitelijke besluitvormingsprocedure.
Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalde daarom. Het College concludeerde dat het bestuur bevoegd was de verordening vast te stellen en dat de verhoging van het tarief rechtmatig was. Het beroep werd ongegrond verklaard en een proceskostenveroordeling werd niet toegewezen.