Appellant, een accountant, werd bij besluit van 13 maart 2013 door de Raad voor Toezicht namens de NBA medegedeeld dat het interne stelsel van kwaliteitsbeheersing van zijn praktijk niet voldeed aan de gestelde eisen. Na bezwaar handhaafde verweerder dit oordeel bij besluit van 11 oktober 2013. Appellant stelde beroep in tegen dit bestreden besluit.
De toetsing vond plaats op 25 september 2012 waarbij drie dossiers werden beoordeeld, waaronder een bijzondere controleopdracht die als onvoldoende werd beoordeeld. Appellant leverde een contra-expertise aan, waarin negen van de twaalf tekortkomingen werden betwist. Verweerder ging hier in het bestreden besluit onvoldoende op in.
Het College oordeelde dat de toetsingsdag niet geheel volgens het handboek verliep en dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom het negatieve eindoordeel gehandhaafd bleef ondanks de contra-expertise. Het bestreden besluit ontbeerde daardoor een voldoende draagkrachtige motivering.
Het beroep werd gegrond verklaard, het besluit vernietigd en verweerder opgedragen binnen zes weken een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Tevens werd verweerder veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en het griffierecht.