Uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
[naam 1] , te [plaats 1] , verzoekster
de staatssecretaris van Economische Zaken, verweerder
Procesverloop
Overwegingen
Voor zover in deze uitspraak een oordeel wordt gegeven over de rechtmatigheid van het primaire besluit, is sprake van een voorlopig oordeel dat het College niet bindt in een eventuele bodemprocedure.
De toezichthouder heeft van deze controle een rapport opgemaakt, gedateerd 27 juli 2015.
Uit dit rapport blijkt dat de toezichthouder op 9 juli 2015 in de woning van verzoekster magere katten aantrof die geen drinkwater hadden en erg hongerig waren. Ook de honden en fretten waren erg hongerig; voor deze dieren was geen voer in de woning aanwezig. Verder was de leefomgeving van de dieren vervuild met ontlasting en urine en hadden enkele dieren ernstige jeuk. Voor de negen pups was geen geschikte nestruimte aanwezig. De paarden van verzoekster, die waren ondergebracht in [plaats 2] (twee) en [plaats 3] (één), werden bij het ontbreken van voldoende zorg van verzoekster spontaan verzorgd door derden.
1. Zorg dat uw dieren over een toereikende hoeveelheid vers en schoon drinkwater kunnen beschikken. Dit water moet goed toegankelijk zijn voor uw dieren.
Verweerder heeft verzoekster opgedragen de maatregelen 1, 2 en 3 per direct te nemen, de maatregelen 3 tot en met 10 vóór 15 juli 2015 te nemen en maatregel 11 vóór 22 juli 2015 te nemen.
Verzoekster voert aan dat verweerder haar ten onrechte een last onder bestuursdwang heeft opgelegd.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat gelet op de bevindingen van de toezichthouder op 9 juli 2015, zoals neergelegd in het rapport van 27 juli 2015, en de daarbij gevoegde foto’s, verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat verzoekster artikel 2.1, eerste lid, en artikel 2.2, achtste lid, van de Wet dieren heeft overtreden. Verzoekster heeft deze bevindingen ook niet bestreden. Verweerder was dus bevoegd om handhavend op te treden en verzoekster een last onder bestuursdwang op te leggen, en heeft op goede gronden van die bevoegdheid gebruik gemaakt.
De toezichthouder heeft ter zitting verklaard dat zij met verzoekster heeft overlegd over een compromis waarbij verzoekster van een aantal dieren afstand zou doen, maar dat verzoekster alle dieren wilde houden. Verzoekster heeft dit niet weersproken. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder onder deze omstandigheden terecht besloten alle dieren mee te voeren en in bewaring te nemen teneinde te bewerkstelligen dat de dieren de nodige verzorging zouden krijgen.
Op grond van artikel 5:29, vierde lid, van de Awb kan verweerder de teruggave van de dieren opschorten totdat de ingevolge artikel 5:25 van Pro de Awb verschuldigde kosten zijn voldaan. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter maakt het voor de toepassing van deze bevoegdheid geen verschil of daarbij wordt uitgegaan van geschatte kosten of van kosten zoals vastgesteld in een besluit als bedoeld in artikel 5:25, zesde lid, van de Awb. Verweerder mocht dus betaling van deze kosten als voorwaarde stellen voor teruggave van de dieren aan verzoekster.