ECLI:NL:CBB:2016:131
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling schorsing taxivergunning na intrekking ontheffing busbaan Amsterdam
Appellant, een taxichauffeur, kreeg op 28 februari 2014 een ontheffing voor het gebruik van de busbaan en busstrook in Amsterdam ingetrokken vanwege het overtreden van een snelheidsvoorschrift bij een tramhalte. Tegelijkertijd werd zijn taxivergunning voor de Amsterdamse opstapmarkt voor twee weken geschorst. Verweerders verklaarden het bezwaar van appellant tegen deze schorsing ongegrond, waarna appellant beroep instelde bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven.
Tijdens de procedure werd vastgesteld dat de mededeling van intrekking van de ontheffing tevens het besluit tot schorsing van de taxivergunning inhield, conform artikel 2.17, eerste lid onder c, van de Taxiverordening Amsterdam 2012. Appellant erkende de overtreding en had geen rechtsmiddel ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam die de intrekking bevestigde.
Appellant voerde aan dat de schorsing een dubbele bestraffing vormde in strijd met artikel 6 EVRM Pro en dat de sanctie disproportioneel was vanwege de financiële gevolgen. Het College oordeelde dat de schorsing geen straf is, maar een noodzakelijke maatregel die samenhangt met de intrekking van de ontheffing. De schorsing beperkt weliswaar tijdelijk de toegang tot de opstapmarkt, maar maakt het werk als taxichauffeur niet volledig onmogelijk. De schorsing is verplicht en staat geen nadere belangenafweging toe.
Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de schorsing van de taxivergunning wordt ongegrond verklaard en de schorsing blijft van kracht.