ECLI:NL:CBB:2020:146
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Intrekking taxivergunning na intrekking lijnbusbaanontheffing niet onrechtmatig
Appellant, werkzaam als taxichauffeur in Amsterdam, beschikte over een taxivergunning en een ontheffing voor medegebruik van de lijnbusbaan. Verweerder trok op 19 december 2017 de lijnbusbaanontheffing in, hetgeen door rechtbank en Raad van State werd bevestigd. Vervolgens werd de taxivergunning ingetrokken op grond van artikel 2.17, tweede lid, aanhef en onder c, van de Taxiverordening Amsterdam 2012.
Appellant voerde aan dat de Taxiverordening strijdig is met artikel 11 EVRM Pro en dat de intrekking van de ontheffing en vergunning onrechtmatig was, omdat het overtreden voorschrift geen wettelijk voorschrift zou zijn. Het College verwierp deze bezwaren, verwijzend naar eerdere uitspraken en het feit dat de intrekking van de ontheffing in rechte vaststaat.
Verder stelde appellant dat de intrekking van de taxivergunning een strafrechtelijke sanctie (criminal charge) is, waarvoor volgens hem niet aan het legaliteitsbeginsel is voldaan. Het College oordeelde echter dat de intrekking geen punitief karakter heeft en geen criminal charge vormt zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro.
Het College concludeerde dat verweerder verplicht was de taxivergunning in te trekken en dat het beroep ongegrond is. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de intrekking van de taxivergunning wordt ongegrond verklaard.