ECLI:NL:CBB:2016:219
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit randvoorwaardenkorting GLB-inkomenssteun wegens schending hoorplicht
Appellant heeft voor het jaar 2013 rechtstreekse betalingen aangevraagd op grond van de Regeling GLB-inkomenssteun 2006. Verweerder stelde een randvoorwaardenkorting van 3% vast vanwege niet-emissiearm aanwenden van dierlijke meststoffen op een perceel van appellant, geconstateerd door de NVWA.
Appellant betwistte de korting en voerde aan dat het mest betrof voerresten en dat hij niet is gehoord over het bezwaar. Het College oordeelde dat verweerder niet aannemelijk heeft gemaakt dat appellant heeft afgezien van het recht op een hoorzitting, waardoor sprake is van schending van de hoorplicht ex artikel 7:2 Awb Pro.
Hoewel het College de vernietiging van het bestreden besluit uitsprak wegens deze procedurele tekortkoming, liet het de rechtsgevolgen van het besluit in stand. De inhoudelijke vaststelling dat appellant niet emissiearm heeft gehandeld werd bevestigd op basis van het controlerapport, processen-verbaal en eerdere uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Het College bepaalde tevens dat verweerder het griffierecht aan appellant dient te vergoeden, maar wees vergoeding van overige proceskosten af.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd wegens schending van de hoorplicht, met in stand blijvende rechtsgevolgen.