Uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
tegen de uitspraak van de accountantskamer van 20 februari 2015, gegeven op een klacht, op 6 mei 2014 door appellant ingediend tegen
[naam 3] RA(betrokkene).
College van Beroep voor het bedrijfsleven
In deze zaak heeft appellant, curator in het faillissement van een vennootschap, een klacht ingediend tegen een accountant over vermeende excessieve declaraties en misbruik van de kwetsbare positie van de cliënt en diens bestuurder. De klacht betrof onder meer onduidelijke afspraken, oncontroleerbare specificaties, en een onevenredige verhouding tussen werkzaamheden en kosten.
De accountantskamer verklaarde de klacht ongegrond, omdat appellant de feiten onvoldoende aannemelijk had gemaakt en geen bewijs was geleverd dat de accountant bewust onjuiste of misleidende declaraties had ingediend. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat de accountant onethisch handelde door excessief te declareren en misbruik te maken van de zwakke psychische gesteldheid van de bestuurder.
Het College overwoog dat appellant onvoldoende onderbouwde dat sprake was van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen. De accountant had daadwerkelijk werkzaamheden verricht en had de cliënt meerdere malen gewezen op oplopende kosten, terwijl de cliënt had verzocht de werkzaamheden voort te zetten. Ook was niet aannemelijk dat de accountant op de hoogte was van een verslavingsprobleem of daarvan misbruik had gemaakt.
Gelet op deze overwegingen bevestigde het College de uitspraak van de accountantskamer en verklaarde het hoger beroep ongegrond. De accountant werd niet gehouden aan enige tuchtrechtelijke sanctie in deze zaak.
Uitkomst: Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de klacht tegen de accountant is afgewezen.