ECLI:NL:CBB:2016:281
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Hoger beroep
- W.E. Doolaard
- M.M. Smorenburg
- H.S.J. Albers
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing vrijstelling verplichte pensioenfondsdeelname wegens niet-tijdige eigen pensioenregeling
Appellante heeft bij het pensioenfonds een verzoek ingediend om vrijstelling van verplichte deelname op grond van een eigen pensioenregeling die vóór de peildatum zou zijn afgesloten. De stichting wees dit verzoek af omdat de pensioenregeling pas na de peildatum tot stand was gekomen. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en oordeelde dat de feitelijke uitvoering van de pensioenregeling bepalend is en dat appellante niet aannemelijk had gemaakt dat de regeling vóór de peildatum van kracht was.
Appellante voerde in hoger beroep aan dat de datum van totstandkoming van de overeenkomst doorslaggevend is en dat de stichting in strijd met het vertrouwensbeginsel handelde door de afwijzing te handhaven. Het College overwoog dat de feitelijke uitvoering en deelname aan de pensioenregeling leidend zijn, dat de offerte van de pensioenuitvoerder een voorwaarde stelde van minimaal vijf deelnemers, en dat appellante niet had aangetoond dat deze voorwaarde vóór de peildatum was vervuld.
Verder oordeelde het College dat de e-mail van een pensioenconsulent geen onvoorwaardelijke toezegging van vrijstelling inhield en dat deze mededeling niet namens het bevoegd orgaan was gedaan. Het aanhoudingsverzoek van appellante werd afgewezen omdat er geen procedure bij de kantonrechter was gestart. Het College bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: Het College bevestigt de afwijzing van de vrijstellingsaanvraag wegens het niet aannemelijk maken van een tijdige eigen pensioenregeling.