ECLI:NL:CBB:2016:304
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste aanleg - meervoudig
- E.R. Eggeraat
- H.A.B. van Dorst-Tatomir
- H.O. Kerkmeester
- Rechtspraak.nl
Intrekking Taxxxivergunning wegens beëindiging aansluiting bij toegelaten taxiorganisatie
Appellant, werkzaam als taxichauffeur in Amsterdam, was aangesloten bij een toegelaten taxiorganisatie (TTO) en beschikte over een Taxxxivergunning. Op 24 maart 2015 constateerde een toezichthouder dat appellant op een verboden plek stond geparkeerd bij de taxistandplaats Amsterdam Centraal Station, wat leidde tot een derde rapport van bevindingen (RVB) binnen een jaar voor hinder op de standplaats. De TTO beëindigde daarop de aansluitingsovereenkomst met appellant per 26 april 2015.
Verweerder trok vervolgens de Taxxxivergunning van appellant in op grond van het feit dat hij niet langer aangesloten was bij een TTO, zoals vereist in artikel 2.12, eerste lid, van de Taxiverordening Amsterdam 2012. Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit en stelde dat verweerder eerst de juistheid van de beëindiging door de TTO had moeten toetsen en dat hij het recht ontbrak om in rechte op te komen tegen het RVB, hetgeen volgens hem in strijd was met artikel 13 EVRM Pro.
Het College overwoog dat verweerder op grond van artikel 2.17 van de Taxiverordening verplicht was de vergunning in te trekken zodra de aansluiting bij de TTO was beëindigd, zonder dat een eigen onderzoek naar de feiten noodzakelijk was. Het beroep op artikel 13 EVRM Pro faalde omdat appellant zich tot de civiele rechter had kunnen wenden om de juistheid van het RVB aan te vechten. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep van appellant tegen de intrekking van zijn Taxxxivergunning wordt ongegrond verklaard.