ECLI:NL:CBB:2017:155
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- R.R. Winter
- Rechtspraak.nl
Intrekking taxxxivergunning wegens beëindiging aansluiting bij TTO
Appellant, werkzaam als taxichauffeur, beschikte over een taxxxivergunning voor het aanbieden van taxivervoer op de Amsterdamse opstapmarkt. Op 12 december 2015 constateerde een toezichthouder dat appellant zonder daklicht als zesde taxi bij een taxistandplaats stond, wat leidde tot een rapport van bevindingen en een verzoek aan de TTO om een maatregel op te leggen. De TTO beëindigde daarop per 4 januari 2016 de aansluitingsovereenkomst met appellant. Verweerder trok vervolgens de taxxxivergunning van appellant in, omdat hij niet langer aangesloten was bij een TTO, een vereiste volgens de Taxiverordening Amsterdam 2012.
Appellant voerde aan dat verweerder de rechtsgang blokkeert en dat het rapport van bevindingen een besluit is waartegen rechtsbescherming openstaat. Hij ontkende de overtreding en stelde dat de intrekking ernstige financiële gevolgen heeft. Verweerder stelde dat hij gebonden was aan de intrekking van de vergunning bij beëindiging van de aansluiting en dat appellant zich tot de TTO of de civiele rechter moest wenden bij geschillen.
Het College oordeelde dat appellant inderdaad niet meer voldeed aan de vereisten voor de vergunning en dat verweerder verplicht was de vergunning in te trekken. Er was geen ruimte voor een belangenafweging door verweerder. Het beroep op artikel 13 EVRM Pro faalde omdat appellant de civiele rechter had kunnen benaderen. Het beroep werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen de intrekking van de taxxxivergunning wordt ongegrond verklaard.