Uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
uitspraak van de meervoudige kamer van 13 oktober 2016 in de zaken tussen
, [appellant 1] ,te [plaats 2] (appellant sub 2)
en [appellant 2](appellant sub 3), te [plaats 3] , appellanten
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Het College van Beroep voor het bedrijfsleven heeft op 13 oktober 2016 uitspraak gedaan in de zaken tegen de minister van Economische Zaken betreffende de intrekking van de erkenning van Telerscoöperatie FresQ U.A. als producentenorganisatie. De minister had de erkenning ingetrokken en subsidies teruggevorderd. Appellanten, waaronder leden en bestuurders van FresQ, maakten bezwaar tegen deze besluiten.
De kern van het geschil betrof de ontvankelijkheid van het bezwaar en beroep van appellanten, waarbij de vraag was of zij als belanghebbenden in de zin van artikel 1:2 van Pro de Algemene wet bestuursrecht konden worden aangemerkt. De minister stelde dat alleen FresQ als producentenorganisatie rechtstreeks belanghebbende was, omdat de besluiten zich op FresQ richtten en niet op haar leden of bestuurders.
Het College oordeelde dat appellanten slechts een afgeleid belang hebben, aangezien hun belangen niet rechtstreeks door de besluiten worden geraakt. Ook de civielrechtelijke aansprakelijkstelling van een bestuurder en het strafrechtelijk onderzoek waren geen rechtstreeks gevolg van de intrekking en terugvordering. Het College bevestigde dat het enkele feit dat appellanten in de gelegenheid waren gesteld een zienswijze te geven, niet leidt tot het aannemen van een rechtstreeks belang.
Daarom verklaarde het College de beroepen van appellanten ongegrond en bevestigde het de niet-ontvankelijkverklaring van hun bezwaren. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van appellanten wordt ongegrond verklaard wegens ontbreken van een rechtstreeks belang.