Appellant werd bij besluit van 8 juli 2015 geconfronteerd met de invordering van een dwangsom van €10.000 wegens overtreding van artikel 76, eerste lid, van de Wet personenvervoer 2000 (Wp2000). Deze dwangsom was opgelegd na constatering dat appellant op 9 mei 2015 zonder vergunning taxivervoer verrichtte, hetgeen door hem erkend werd.
Appellant voerde aan dat het bedrag van €10.000 disproportioneel en punitief was, mede omdat hij strafrechtelijk al een boete van €400 had gekregen en hij onvoldoende financiële draagkracht had. Hij stelde dat de betalingsregeling onvoldoende rekening hield met zijn inkomen en schulden.
Het College stelde vast dat de hoogte van de dwangsom niet ter beoordeling stond omdat deze voortvloeide uit eerdere besluiten met formele rechtskracht. Tevens oordeelde het College dat een dwangsom geen dubbele bestraffing inhoudt en dat invordering in beginsel moet plaatsvinden. Alleen bijzondere omstandigheden kunnen tot afzien van invordering leiden, welke hier niet aanwezig waren.
Het beroep werd daarom ongegrond verklaard. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door mr. A. Venekamp op 20 oktober 2016.