Deze zaak betreft het hoger beroep van een accountant tegen een berisping opgelegd door de accountantskamer wegens tekortkomingen bij de controle van de jaarrekening 2010 van Vannel Bouwbedrijf B.V. en Lavaredo Holding B.V. De klacht richtte zich op het onjuist waarderen van een grondpositie en het onterecht accepteren van een agioreserve zonder wettelijke reserve, alsmede het niet constateren van onjuiste aandeelhoudersinformatie.
De grondpositie van Veldhoven Habraken B.V. was in 2010 gewaardeerd op basis van een taxatierapport uit 2008, dat uitging van een onjuiste projectfase. De accountant had onvoldoende kritisch moeten nagaan of dit taxatierapport nog representatief was in 2010, mede gezien de kredietcrisis. Daarnaast had hij actiever en kritischer moeten zijn in het vragen van inlichtingen over de aandeelhoudersverhoudingen binnen de groep, vooral gezien de geplande herstructurering.
Het College oordeelde dat de accountant terecht werd berispt voor het onvoldoende onderbouwen van de waardering van de grondpositie en het nalaten van een professioneel-kritische houding ten aanzien van de aandeelhoudersinformatie. Echter, het College vernietigde het oordeel dat de accountant tuchtrechtelijk verwijtbaar had gehandeld door het niet vormen van een wettelijke reserve na de verhanging van de deelneming binnen de groep, omdat de wet dit niet voorschrijft.
De berisping werd bevestigd, maar het onderdeel over de wettelijke reserve werd vernietigd. De uitspraak benadrukt het belang van een zorgvuldige en kritische controlepraktijk, zeker bij complexe waarderingen en groepsverhoudingen.