ECLI:NL:CBB:2016:454
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Proceskostenveroordeling
- R.R. Winter
- J. Schukking
- H.L. van der Beek
- Rechtspraak.nl
Bestuurlijke boete wegens overtreding Meststoffenwet door onterecht opgegeven bospercelen
Appellant, een melkveehouder, had bij de gecombineerde opgave 2009 bospercelen opgegeven als landbouwgrond behorende tot zijn bedrijf, waarop meststoffen zouden zijn gebruikt. De staatssecretaris stelde na onderzoek vast dat deze percelen feitelijk niet in gebruik waren en legde een bestuurlijke boete op wegens overtreding van artikel 7 in Pro samenhang met artikel 8 van Pro de Meststoffenwet.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat appellant niet de feitelijke beschikkingsmacht had over de bospercelen en dat deze niet binnen de normale bedrijfsvoering vielen. Appellant stelde in hoger beroep dat hij wel feitelijke beschikkingsmacht had en verwees naar eerdere jurisprudentie. Hij voerde aan dat hij over een grondgebruiksverklaring beschikte en dat werkzaamheden waren uitbesteed aan een loonwerker, zoals gebruikelijk is.
Het College overwoog dat de feitelijke beschikkingsmacht ontbrak omdat de afspraken zich beperkten tot onderhoudswerkzaamheden en niet tot beheer, teelt of bemesting. De bospercelen waren niet in het kader van een normale bedrijfsvoering bij appellant in gebruik, mede omdat het oogmerk was om mestgebruiksruimte te vergroten zonder agrarisch motief. De boete werd wel gematigd wegens overschrijding van de redelijke termijn, waarbij het beleid van de staatssecretaris en jurisprudentie werden toegepast.
Het College vernietigde het eerdere besluit voor zover het de hoogte van de boete betrof, stelde de boete vast op €10.100,97 en veroordeelde de staatssecretaris in de proceskosten van appellant.
Uitkomst: Bestuurlijke boete vastgesteld op €10.100,97 na matiging wegens overschrijding redelijke termijn.