ECLI:NL:CBB:2013:BZ1613
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Hoger beroep
- W.A.J. van Lierop
- W.E. Doolaard
- J.A.M. van den Berk
- Rechtspraak.nl
Bestuurlijke boetes Meststoffenwet: uitleg begrip tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond
In deze bestuursrechtelijke zaak stond centraal of de staatssecretaris terecht bestuurlijke boetes had opgelegd aan appellanten wegens overschrijding van gebruiksnormen in de Meststoffenwet. De discussie betrof de vraag of de in 2007 gehuurde percelen landbouwgrond in Friesland als tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond konden worden aangemerkt.
De staatssecretaris had deze percelen buiten beschouwing gelaten bij de berekening van het gebruik van meststoffen, omdat hij oordeelde dat appellanten niet de feitelijke beschikkingsmacht hadden en de percelen niet daadwerkelijk in gebruik waren in het kader van de normale bedrijfsvoering. De rechtbank had dit oordeel overgenomen en de boetes gematigd.
Het College van Beroep stelde vast dat de wetsgeschiedenis en de tekst van de Meststoffenwet geen voorwaarde stellen dat de percelen daadwerkelijk gebruikt moeten zijn, maar dat bepalend is of de landbouwer de feitelijke beschikkingsmacht heeft. Het College concludeerde dat appellanten het exclusieve gebruiksrecht hadden en de feitelijke beschikkingsmacht konden uitoefenen, ook al werden werkzaamheden door derden verricht. Daarom vernietigde het College het besluit van de staatssecretaris en herroept de boetebesluiten.
Uitkomst: Het College vernietigt het boetebesluit van de staatssecretaris en herroept de boetebesluiten wegens het bestaan van feitelijke beschikkingsmacht over de percelen.