Appellante exploiteert een agrarisch bedrijf met melkrundvee en beschikt over landbouwgrond met een mestbassin. De Algemene Inspectiedienst voerde een onderzoek uit naar vermeende overtredingen van de Meststoffenwet, waarbij twaalf vrachten dierlijke mest werden gelost op het perceel van appellante. De staatssecretaris legde op basis hiervan een boete op wegens overschrijding van de gebruiksnormen voor dierlijke meststoffen.
Appellante betwistte de aantijgingen en stelde dat mest illegaal en zonder haar medeweten was gedumpt en spoedig daarna weer verwijderd. Zij voerde aan dat de boete onterecht en onevenredig hoog was. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. In hoger beroep onderzocht het College de bewijsmiddelen, waaronder GPS-losmeldingen en vervoersbewijzen, en concludeerde dat slechts één van de zes GPS-locaties (stip 6) onomstotelijk op het perceel van appellante lag.
Het College oordeelde dat de staatssecretaris onvoldoende bewijs had geleverd dat de overige vrachten mest daadwerkelijk op het perceel van appellante waren gelost, mede omdat er in de nabijheid tijdelijke mestcontainers stonden. Daarom werd het hoger beroep deels gegrond verklaard en werd de staatssecretaris opgedragen een nieuwe boeteberekening te maken voor de vrachten die aan stip 6 gekoppeld zijn. Over overige gronden, waaronder verwijtbaarheid en proportionaliteit van de boete, zal in de einduitspraak worden beslist.