Uitspraak
en
de Autoriteit Consument en Markt(ACM)
1.Procesverloop in hoger beroep
2.Grondslag van het geschil
3.Uitspraak van de rechtbank
4.Beoordeling van het geschil in hoger beroep
“Ik kon niet tegenhouden dat [rechtspersoon A] zich conformeerde aan de afspraken binnen de coöperatie”. De verklaring van de heer [medewerker A1] , ten slotte, is naar het oordeel van het College onvoldoende overtuigend om afbreuk te doen aan het door ACM aangeleverde bewijs. Dat [rechtspersoon A] in de samenwerking met de Coöperatieleden mogelijk ‘vals speelde’ door een hoger areaal op te geven dan zij daadwerkelijk inzaaide, zoals is vermeld in de verklaring van de heer [medewerker A2] , doet aan het voorgaande niet af nu [rechtspersoon A] niet openlijk afstand heeft genomen van deze afspraken.
“achteraf”doelt op na de vergadering, en niet op na het seizoen.
“Als je elkaar, de concurrenten, tegenkomt op meetings dan vang ik deze cijfers op. Als u mij vraagt of ik het dan heb over de bijeenkomsten waarover ik in mijn vorige verklaring gesproken heb dan bevestig ik dat. Dat zijn de meetings tijdens het najaar en voorjaar. In de meetings praat je dan, zoals ik al eerder heb verklaard, over zaaiplannen. Dan maak ik aantekeningen en dat verwerk ik in dit excelbestand ten behoeve van [rechtspersoon A] .”
“In de meetings met concurrenten is er gesproken over de marktsituaties. Dan praat je over wat er volgend seizoen bij of af moet. Dan praat je over de vraag, wat zijn onze verwachtingen. En dan kom je aan die percentages, plus 5 of min 5.”
begincijfers” duidt er naar het oordeel van het College op dat deze e-mail een weergave vormt van (een begin van) afstemming voor het teeltseizoen 2010. Deze uitleg past in het constante patroon van afstemming zoals dat sinds het begin van de areaalafspraken kan worden geobserveerd, waarbij in het najaar na de oogst van het voorgaande jaar wordt begonnen met het afstemmen van de arealen voor het daarop volgende jaar.
“het prijsniveau verder naar boven moet om de branche overeind te houden.”De heer [naam 1] heeft verklaard dat de arealen werden verdeeld, omdat de productie anders te hoog zou worden, waardoor de prijzen weer reëel werden. Hieruit blijkt naar het oordeel van het College dat de areaalafspraken dienden ter beperking/controlering van de productie, om zo een voor de betrokken ondernemingen aanvaardbaar (hoger) prijsniveau te realiseren.
“de afgesproken prijs”aanbiedt. De bijlage bij de e-mail van [rechtspersoon A] van 11 februari 2010 bevat verschillende passages die duiden op de uitwisseling van prijsinformatie tussen [rechtspersoon A] , [rechtspersoon D] , [rechtspersoon E] en [rechtspersoon B] . Deze bijlage bevat ook een passage waaruit duidelijk blijkt dat er contact was tussen deze ondernemingen. Uit de mailwisseling van 27 mei 2010 tussen [medewerker A1] en [medewerker A3] blijkt ten slotte dat de heer [medewerker A3] contact heeft gehad met [rechtspersoon B] en [rechtspersoon D] en van hen heeft begrepen hoe zij zich opstelden ten aanzien van Premier. De stelling van appellanten I dat uit een nadere mailwisseling tussen [rechtspersoon A] en haar handelsagent zou blijken dat zij haar eigen prijzen richting [rechtspersoon M] hanteerde, doet hieraan volgens ACM geen afbreuk.
“weleens over prijzen[wordt]
gesproken.”Ook uit de verklaring van de heer [medewerker A2] volgt dat er tussen de betrokken ondernemingen meermaals contacten zijn geweest over de jegens afnemers te hanteren prijzen. De interne e-mails van [rechtspersoon A] vormen naar het oordeel van het College een bevestiging van deze informatie-uitwisseling, en niet, zoals appellanten I en II stellen, een weergave van via afnemers verkregen informatie. Uit de interne e-mail van [rechtspersoon A] van 8 juli 2007 volgt dat de heer [medewerker A1] contact heeft gehad met de heer [medewerker B2] , waarbij is gesproken over de jegens afnemer Premier te hanteren prijzen. Dat de door Premier te betalen prijs op het moment van het daargenoemde telefonische overleg tussen de heren [medewerkers B1 en B2] en [medewerker A1] reeds vast lag, zoals appellanten II stellen, blijkt naar het oordeel van het College niet uit het dossier. Het (overigens niet ondertekende) contract tussen [rechtspersoon B] en Premier dat bij brief van 13 september 2013 door appellanten II is ingebracht bij de rechtbank dateert van 13 juli 2007, terwijl de gewraakte e-mail op 8 juli 2007 is verzonden. Dit contract toont derhalve niet aan dat de door Premier te betalen prijs ten tijde van het telefonische overleg tussen de heren [medewerkers B1 en B2] en [medewerker A1] reeds vast lag.
“ [rechtspersoon D] vraagt voor [rechtspersoon O] meer, [rechtspersoon B] wil daar leveren”, “ [rechtspersoon B] ’s agent zit weer te rommelen, 7-9 cent onder de afgesproken prijs”, “ [rechtspersoon D] zakt ook met 0.03 / kg in 2010”) geen weergave vormen van informatie die via een afnemer is verkregen. Met betrekking tot de interne e-mails van 27 mei 2010 tussen [medewerker A1] en [medewerker A3] overweegt het College ten slotte dat uit de mailwisseling blijkt dat [rechtspersoon A] , [rechtspersoon D] en [rechtspersoon B] contact hebben gehad over de jegens Premier te hanteren prijzen. De door appellanten I ingebrachte e-mailwisseling tussen de Engelse handelsagent van [rechtspersoon A] en [rechtspersoon M] maakt dit gegeven niet anders. Op basis van het voorgaande komt het College tot het oordeel dat ACM terecht heeft vastgesteld dat er vanaf 2006 gedurende verschillende jaren tussen (onder meer) [rechtspersoon A] en [rechtspersoon B] contacten zijn geweest over jegens afnemers te hanteren prijzen.
“Het idee achter de aankoop van deze machines[van [rechtspersoon J] ]
was dat er zo geen nieuwe marktspeler kon bijkomen.”Blijkens zijn verklaring gold eenzelfde motief voor de overname van [rechtspersoon I] :
“Met betrekking tot [rechtspersoon I] is precies hetzelfde gebeurd. Dat was hetzelfde verhaal.”Voorts heeft de rechtbank terecht de verklaring van de heer [naam 1] relevant geacht voor de duiding van het doel van de opkopen. In tegenstelling tot hetgeen appellanten II stellen, bespreekt de rechtbank deze verklaring niet specifiek in het kader van de overname van [rechtspersoon J] . Uit de verklaring van de heer [naam 1] blijkt dat hij betrokken was bij het staken van de onderneming van [rechtspersoon I] , en dat hij daarnaast uit hoofde van zijn functie bij de Coöperatie op de hoogte was van de overname van [rechtspersoon H] en de wijze waarop dit werd afgewikkeld. Over deze twee overnames heeft de heer [naam 1] verklaard dat het doel was om te voorkomen dat er een nieuwe speler op de zilveruienmarkt zou komen. De verklaring van de heer [naam 1] is daarom naar het oordeel van het College wel degelijk van waarde voor de duiding van het doel van de overnames.
“De machines zouden kunnen worden verkocht en/of vernietigd, het pand verkocht of verhuurd. Daarmede wordt voorkomen, dat [rechtspersoon Q] of een ander op een goedkope wijze in het bezit komt van een installatie met weliswaar veel achterstallig onderhoud, maar wel met de potentie om een behoorlijk areaal zilveruien te verwerken.”Terecht betoogt ACM dat het feit dat de heer [naam 4] op een later moment heeft verklaard zich niet meer precies te kunnen herinneren wie bij de overname betrokken was, en wat het doel was van de opkopen, geen afbreuk doet aan de waarde van dit destijds opgestelde memo. Dat [rechtspersoon Q] bij de uiteindelijke overname een deel van de machines van [rechtspersoon J] heeft gekocht, doet niet af aan het doel van de opkoop zoals dat blijkt uit het memo, mede nu bij de uiteindelijke overname is gekozen voor een verdeling naar verhouding van de door de betrokken ondernemingen geteelde arealen in plaats van naar rato van de daadwerkelijke verdeling van de machines.