Appellante exploiteert een horecabedrijf waar op 23 oktober 2014 tijdens een inspectie door de NVWA werd geconstateerd dat er werd gerookt terwijl een werknemer werkzaamheden verrichtte. De minister legde een boete van €600 op wegens overtreding van artikel 11a, eerste lid, van de Tabakswet. De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep ongegrond en bevestigde de boete.
In hoger beroep betwistte appellante de betrouwbaarheid van het relaas van bevindingen en de aanwezigheid van de toezichthouders. Zij stelde dat de bewijslast bij het bestuursorgaan ligt en dat bij twijfel het voordeel van de twijfel aan haar moet worden gegeven. Het College heeft de identiteit van de toezichthouders opgevraagd en vastgesteld dat zij daadwerkelijk aanwezig waren en aan de leeftijdscriteria voldeden.
Het College oordeelde dat het relaas van bevindingen, hoewel niet ondertekend, deel uitmaakt van het ondertekende proces-verbaal en dat er geen formeel gebrek is dat tot buitenbeschouwingstelling leidt. De minister heeft terecht vastgesteld dat appellante het rookverbod heeft overtreden en bevoegd was de boete op te leggen. Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.