Uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
uitspraak van de meervoudige kamer van 1 mei 2017 in de zaak tussen
Accountantskantoor [naam 1] , te [plaats 1] , appellant
Procesverloop
Overwegingen
Het College begrijpt het in de Verordening neergelegde systeem aldus dat het verslag van het toetsingsteam allereerst weergeeft wat in de onderzochte dossiers wel en niet goed is gegaan of gedaan, maar vervolgens ook gemotiveerd onderbouwt welke conclusies daaraan kunnen worden verbonden voor het oordeel over het stelsel van kwaliteitsbeheersing dat in de betrokken accountantspraktijk gehanteerd wordt. Het is aan het bestuur om op basis van de bevindingen van het onderzoeksteam te beslissen of het door dat team voorgestelde oordeel over het stelsel van kwaliteitsbeheersing gevolgd kan worden en of op grond van artikel 11, vijfde lid, van de Verordening de verplichting opgelegd dient te worden tot het opstellen van een verbeterplan.
Dat de bevindingen van [naam 4] als gevolg van zijn overlijden niet meer aan het oordeel van verweerder ten grondslag kunnen liggen, is een risico dat inherent is aan de in de Verordening neergelegde werkwijze. Dit leidt ertoe dat het College moet vaststellen dat er geen toetsingsverslag beschikbaar is, waarin voldoende betrouwbare bevindingen zijn neergelegd op basis waarvan het bestuur zich een eindoordeel over het stelsel van kwaliteitsbeheersing van de praktijk van appellant heeft kunnen vormen
Beslissing
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- herroept het primaire besluit;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 167,- aan appellant te vergoeden;