Appellanten, intermediaire ondernemingen die mest vervoeren, kregen op grond van de Meststoffenwet een voorafmeldplicht opgelegd door verweerder vanwege hoge stikstof- en fosfaatwaarden in hun mesttransporten. Deze maatregel hield in dat zij 24 uur voor het laden van dierlijke mest transporten moesten melden.
Het College van Beroep voor het bedrijfsleven oordeelt dat de Meststoffenwet en de uitvoeringsbesluiten een wettelijke grondslag bieden voor het opleggen van een voorafmeldplicht als toezichtmaatregel, ook zonder dat overtredingen zijn vastgesteld. De maatregel is bedoeld om onregelmatigheden in de administratieve verantwoording te voorkomen en het toezicht te versterken.
Echter, het College vindt dat de opgelegde voorafmeldplicht een zware inbreuk maakt op de bedrijfsvoering van appellanten, die daardoor hun noodzakelijke flexibiliteit verliezen. Bovendien is de maatregel slechts aan een beperkt aantal intermediairs opgelegd, terwijl ook anderen hoge analysewaarden hadden. Dit leidt tot een onevenredige last voor appellanten.
Daarom vernietigt het College de bestreden besluiten en herroept de primaire besluiten. Tevens veroordeelt het College verweerder in de proceskosten van appellanten.