Appellante, een veehouderij, diende haar Gecombineerde opgave 2015 met aanvraag voor toewijzing van betalingsrechten te laat in, namelijk op 14 juli 2015, terwijl de uiterste datum 10 juli 2015 was. Verweerder wees de aanvraag af en verklaarde het bezwaar ongegrond. Appellante voerde aan dat ernstige gezondheidsproblemen van een vennoot en verwarring over het nieuwe systeem van betalingsrechten de vertraging veroorzaakten, en dat een derde was ingeschakeld die de indiening verzuimde. Zij beriep zich op overmacht en stelde dat de financiële gevolgen disproportioneel waren.
Het College overwoog dat de regelgeving strikt is en dat bij overschrijding van de uiterste datum met meer dan 25 dagen geen betalingsrechten worden toegekend. Het beroep op overmacht faalde omdat het nieuwe systeem geen overmacht vormt en het verzuim van een derde niet aan appellante kan worden toegerekend. Het feit dat aan de inhoudelijke voorwaarden voor toekenning is voldaan, rechtvaardigt geen acceptatie van een te late aanvraag. Ook het beroep op het evenredigheidsbeginsel faalde omdat de wet geen ruimte laat voor belangenafweging in dit kader.
Het College verklaarde het beroep ongegrond en wees een proceskostenveroordeling af. De uitspraak werd gedaan door mr. A. Venekamp in aanwezigheid van griffier mr. M.B. van Zantvoort op 8 juni 2017.