ECLI:NL:CBB:2017:238

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Datum uitspraak
19 juni 2017
Publicatiedatum
1 augustus 2017
Zaaknummer
17/852
Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 10 Regeling gebruik boordcomputer en boordcomputerkaartenArt. 82 Besluit personenvervoer 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening tegen intrekking chauffeurskaart wegens niet tijdig overleggen VOG

Verzoeker had bezwaar gemaakt tegen de intrekking van zijn chauffeurskaart door de minister van Infrastructuur en Milieu, omdat hij niet binnen de gestelde termijn een nieuwe Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) had overgelegd. De intrekking was gebaseerd op artikel 10, eerste lid, van de Regeling gebruik boordcomputer en boordcomputerkaarten.

De voorzieningenrechter stelde vast dat verzoeker een spoedeisend belang had bij het treffen van een voorlopige voorziening, aangezien hij zonder chauffeurskaart geen taxivervoer mocht verrichten en daardoor zijn gezin geen inkomsten had. Desondanks oordeelde de voorzieningenrechter dat de minister op grond van de regeling verplicht was de kaart in te trekken zodra de VOG niet tijdig werd overgelegd, zonder ruimte voor belangenafweging.

Verder werd benadrukt dat de procedure voor intrekking van de chauffeurskaart losstaat van de procedure voor afgifte van een nieuwe VOG door het Centraal Orgaan Verklaring Omtrent het Gedrag (COVOG). Zelfs indien de VOG later alsnog zou worden afgegeven, bleef de intrekking terecht vanwege het niet tijdig overleggen.

De voorzieningenrechter zag geen redelijke twijfel aan de rechtmatigheid van het besluit en vond geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening. Het verzoek werd daarom afgewezen zonder proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de intrekking van de chauffeurskaart wordt afgewezen.

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 17/852
14914
uitspraak van de voorzieningenrechter van 19 juni 2017 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[naam 1] , te [plaats] , verzoeker

(gemachtigde: mr. L.F.M. Meles),
en

de minister van Infrastructuur en Milieu, verweerder

(gemachtigde: mr. G.H.H. Bisschoff).

Procesverloop

Bij besluit van 28 april 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder de chauffeurskaart van verzoeker ingetrokken, op grond van artikel 10, eerste lid, van de Regeling gebruik boordcomputer en boordcomputerkaarten (de Regeling).
Verzoeker heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Hij heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Noord-Holland verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzieningenrechter van de rechtbank Noord-Holland heeft het verzoek om voorlopige voorziening doorgezonden aan de voorzieningenrechter van het College.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Bij besluit van 16 mei 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van verzoeker ongegrond verklaard.
Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verzoeker heeft nadere stukken ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 juni 2017. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde, en [naam 2] als tolk in de Marokkaanse taal. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Ingevolge het bepaalde in artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bij het College beroep is ingesteld, dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep, bezwaar is gemaakt, op verzoek een voorlopige voorziening worden getroffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
2. Het verzoek om voorlopige voorziening is gedaan nadat bezwaar is gemaakt. Het verzoek wordt gelijkgesteld met een verzoek dat wordt gedaan hangende het beroep, op grond van artikel 8:81, vijfde lid, van de Awb, nu verweerder op het bezwaar heeft beslist voordat de zitting heeft plaatsgevonden en verzoeker daartegen beroep heeft ingesteld.
3. Voor zover in deze uitspraak een oordeel wordt gegeven over de rechtmatigheid van het bestreden besluit, is sprake van een voorlopig oordeel dat het College niet bindt in een eventuele bodemprocedure.
4. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoeker op zichzelf een spoedeisend belang heeft bij het treffen van een voorlopige voorziening. Door de intrekking van de chauffeurskaart mag verzoeker geen taxivervoer meer verrichten, waardoor zijn gezin geen inkomsten meer heeft.
5. Reden voor de intrekking is het volgende. Verweerder heeft bij brief van 20 februari 2017 de melding ontvangen dat verzoeker recentelijk met justitie in aanraking was gekomen. Op basis van de melding vermoedde verweerder dat verzoeker niet meer voldeed aan de eisen voor het afgeven van een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG). Verweerder heeft daarom bij brief van 3 maart 2017 van verzoeker verlangd dat hij binnen vier weken een nieuwe VOG overlegt. Verweerder heeft de bevoegdheid om dit van verzoeker te verlangen gebaseerd op artikel 82, zesde lid, van het Besluit personenvervoer 2000. Verzoeker heeft op 7 maart 2017 aan het Centraal Orgaan Verklaring Omtrent het Gedrag (COVOG) afgifte van een nieuwe VOG gevraagd. Ten tijde van de zitting had het COVOG daarop nog niet beslist. Wel heeft het COVOG verzoeker in kennis gesteld van het voornemen om afgifte van een VOG te weigeren.
6. Nu verzoeker niet binnen vier weken een nieuwe VOG heeft overgelegd, was verweerder naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter op grond van artikel 10, eerste lid, onder d, van de Regeling verplicht de chauffeurskaart in te trekken. Deze bepaling geeft verweerder niet de mogelijkheid om een belangenafweging te maken. In dat verband wijst de voorzieningenrechter er ook op dat onderscheid moet worden gemaakt tussen de procedure inzake de intrekking van de chauffeurskaart door verweerder en de procedure inzake de afgifte van een nieuwe VOG door het COVOG. Zoals het College eerder heeft overwogen (uitspraak van 21 juli 2015, ECLI:NL:CBB:2015:262), heeft de wetgever ervoor gekozen de twee procedures niet op elkaar af te stemmen. Deze keuze ligt niet ter beoordeling door de voorzieningenrechter voor. Ook als het hoger beroep tegen de strafrechtelijke veroordeling slaagt, en alsnog een VOG kan worden afgegeven, dan nog heeft verzoeker niet binnen vier weken een nieuwe VOG overgelegd, en was verweerder verplicht de chauffeurskaart in te trekken.
7. In het voorgaande ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding voor een redelijke mate van twijfel aan de rechtmatigheid van het bestreden besluit. Ook overigens is de voorzieningenrechter van oordeel dat onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, het treffen van een voorlopige voorziening niet vereist.
8. De voorzieningenrechter zal het verzoek afwijzen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.L. van der Beek, in aanwezigheid van mr. M.B.L. van der Weele, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 19 juni 2017.
w.g. H.L. van der Beek w.g. M.B.L. van der Weele