Appellante, een landbouwbedrijf, verzocht om uitbetaling van toeslagrechten over 2011 op basis van opgegeven percelen. De Staatssecretaris stelde de bedrijfstoeslag in 2015 opnieuw vast en verrekende een teveel betaalde toeslag met latere toeslagjaren. Appellante maakte bezwaar tegen deze besluiten en stelde dat de vastgestelde oppervlakten onjuist waren, met name vanwege het gebruik van luchtfoto's uit andere jaren en rapporten die volgens haar niet correct waren.
Het College oordeelde dat de primaire besluiten terecht zijn genomen op basis van de Regeling GLB-inkomenssteun 2006, maar dat de vaststelling van de percelen onvoldoende zorgvuldig en gemotiveerd was. Diverse percelen werden afgekeurd op basis van vermeende paden, gazons of verkeerde begrenzingen, maar het College vond dat dit niet aannemelijk was gemaakt. Zo waren paden niet zichtbaar op luchtfoto's uit 2011 en was het gebruik als gazon niet overtuigend onderbouwd.
Het College concludeerde dat het bestreden besluit niet zorgvuldig was voorbereid en onvoldoende was gemotiveerd, waardoor het besluit vernietigd moest worden. Verweerder werd opgedragen binnen acht weken een nieuw besluit te nemen. Tevens werd verweerder veroordeeld tot vergoeding van het betaalde griffierecht en de proceskosten van appellante.