Appellant had de bedrijfstoeslag voor 2013 aangevraagd op basis van drie percelen met een totale oppervlakte van 2,04 hectare. Verweerder stelde bij besluit van 11 december 2013 de toeslag vast op €8.779,49, maar herrekende deze bij een primair besluit van 16 juni 2017 naar nihil wegens een te grote afgekeurde oppervlakte en een sanctie. Appellant moest het bedrag terugbetalen en verklaarde bezwaar, dat werd afgewezen.
Appellant stelde dat het recht op terugvordering was verjaard, omdat de verjaringstermijn van vier jaar zou zijn begonnen bij het indienen van de gecombineerde opgave op 7 mei 2013. Verweerder stelde dat de termijn pas begint bij het besluit tot vaststelling van de toeslag, 11 december 2013. Het College volgde verweerder en baseerde zich op het arrest van het Hof van Justitie EU, dat bepaalt dat de verjaring start zodra het besluit tot toekenning is genomen.
Verder betoogde appellant dat sprake was van een kennelijke fout in de opgave, maar het College oordeelde dat er geen tegenstrijdigheden waren die eenvoudig administratief op te merken waren en dat verweerder terecht niet afweek van de door appellant zelf opgegeven gegevens. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalde omdat appellant geen concrete vergelijkbare gevallen aanvoerde en verweerder binnen de wettelijke termijn handelde.
Tot slot wees het College het beroep af wegens onvoldoende motiveringstekortkomingen en oordeelde dat verweerder niet onzorgvuldig had gehandeld. Het beroep werd ongegrond verklaard.