Appellante, Maatschap Boerderij De Wappert, heeft beroep ingesteld tegen besluiten van de staatssecretaris van Economische Zaken die haar aanvraag tot toekenning en uitbetaling van betalingsrechten voor 2015 afwezen. Het geschil betreft perceel 39, dat volgens het provinciale natuurbeheerplan is aangeduid als natuurbeheertype 'Rivier- en moeraslandschap', waardoor het volgens de Uitvoeringsregeling niet subsidiabel zou zijn.
Appellante verwees naar een pachtovereenkomst waarin staat dat op de uitgegeven grond betalingsrechten rusten, maar het College oordeelde dat deze overeenkomst geen bevoegdheid beperkt om het perceel van steun uit te sluiten, mede omdat de overeenkomst na inwerkingtreding van de Uitvoeringsregeling is gesloten.
Het College stelde vast dat artikel 2.10, tweede lid, onder a, van de Uitvoeringsregeling onverbindend is, waardoor de besluiten onvoldoende zorgvuldig zijn voorbereid en niet kunnen worden gedragen door de motivering. Tevens wees het College het verzoek om een dwangsom af omdat de ingebrekestelling te vroeg was ingediend.
Het College vernietigde de bestreden besluiten wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Awb en gaf verweerder acht weken de tijd om opnieuw te beslissen. Tevens veroordeelde het College verweerder in de proceskosten van appellante ter hoogte van € 1.485,- en vergoedde het betaalde griffierecht.