ECLI:NL:CBB:2017:33
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Proceskostenveroordeling
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen bestuurlijke boete wegens overschrijding meststoffenwet gebruiksnormen
Appellant exploiteert een akkerbouwbedrijf en werd in 2011 gecontroleerd op het gebruik van meststoffen. De staatssecretaris stelde vast dat de gebruiksnormen voor dierlijke mest, stikstof en fosfaat waren overschreden en legde een bestuurlijke boete van €24.110 op. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat appellant als functionele dader kon worden aangemerkt vanwege onvoldoende toezicht.
In hoger beroep betoogde appellant dat hij zelf geen mest had uitgereden en de werkzaamheden aan een loonbedrijf had uitbesteed, waardoor hij niet verantwoordelijk kon worden gehouden. Hij stelde geen feitelijke beschikkingsmacht te hebben gehad en dat de boete buitenproportioneel was.
Het College oordeelde dat appellant als functionele dader kon worden aangemerkt omdat hij onvoldoende schriftelijke afspraken had gemaakt en geen adequaat toezicht hield op het loonbedrijf. De overtreding kon hem daarom redelijkerwijs worden toegerekend. Wel matigde het College de boete met 50% vanwege het ontbreken van economisch voordeel en eerdere jurisprudentie.
Het hoger beroep werd gegrond verklaard, het besluit van 12 juni 2015 vernietigd, het boetebesluit van 28 januari 2013 herroepen en de boete vastgesteld op €12.055. Daarnaast werd appellant in de proceskosten van €2480,- en het griffierecht van €251,- tegemoetgekomen.
Uitkomst: Boete wegens overschrijding meststoffenwet matiging van €24.110 naar €12.055 en proceskostenvergoeding aan appellant.