Uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
[naam 4] RA(betrokkene)
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Appellanten hebben hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de accountantskamer die hun klachten tegen een openbaar accountant van KPMG ongegrond verklaarde. De klachten betroffen onder meer het onterecht afgeven van goedkeurende verklaringen bij de jaarrekeningen 2011-2013 van verschillende vennootschappen binnen de MEI-groep, met verwijzingen naar vermeende fiscale fraude, onjuiste verwerking van vrijval van voorzieningen, management fees, uitbestede beheeractiviteiten en toezichtkosten.
Het geschil draait om complexe financiële en bestuurlijke verhoudingen binnen de MEI-groep, waaronder een conflict tussen de aandeelhouders en bestuurders, verkoop van aandelen aan PCI, en de gevolgen daarvan voor de jaarrekeningen en controlewerkzaamheden. De accountantskamer oordeelde dat de accountant niet tekort was geschoten en dat de jaarrekeningen juist waren goedgekeurd, mede omdat de vennootschappen niet gebonden waren aan de afspraken in de SPA.
Het College van Beroep heeft de grieven van appellanten stuk voor stuk beoordeeld en verworpen. Het oordeelde onder meer dat de vrijval van de voorziening terecht niet als resultaatverandering was verwerkt, dat de management fees conform bestuursbesluiten waren verantwoord, dat de kosten voor uitbestede beheeractiviteiten en toezichtkosten niet onrechtmatig waren verwerkt, en dat vermeende fraude onvoldoende was onderbouwd. Het College bevestigde dat de SPA niet bindend was voor de dochtervennootschappen.
De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond wordt verklaard en de uitspraak van de accountantskamer gehandhaafd blijft.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de goedkeurende verklaringen bij de jaarrekeningen blijven gehandhaafd.