ECLI:NL:CBB:2017:401
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste aanleg - meervoudig
- H.L. van der Beek
- H.O. Kerkmeester
- H.A.A.G. Vermeulen
- Rechtspraak.nl
Intrekking gedeeltelijke ontheffing uitbreidingsverbod pluimvee wegens niet-naleving mestverwerking
Appellante ontving in 2007 een ontheffing voor 45.000 pluimvee-eenheden (pve) met een looptijd tot 2018, onder de voorwaarde dat alle geproduceerde pluimveemest volgens voorschriften werd verwerkt via verbranding of verwerking buiten de Nederlandse landbouw.
In 2015 trok verweerder de ontheffing gedeeltelijk in (9.974 pve) omdat in 2013 en 2014 mest niet conform de voorwaarden was verwerkt, maar naar andere bedrijven vervoerd werd zonder verbranding of verwerking, deels geëxporteerd naar Duitsland. Appellante voerde aan dat de mest verwerkt was in champignonsubstraat en dat de intrekking onevenredig was.
Het College oordeelde dat de mest die verwerkt werd tot champignonsubstraat wel degelijk in de Nederlandse landbouw terechtkwam en dat de berekening van de intrekking op basis van de omrekenfactor uit de Meststoffenwet niet onredelijk was. De belangenafweging leidde niet tot een minder strenge intrekking ondanks de financiële situatie van appellante. Ook werd de overschrijding van de redelijke termijn erkend, maar zonder toekenning van schadevergoeding.
Het beroep werd ongegrond verklaard en de gedeeltelijke intrekking van de ontheffing bevestigd.
Uitkomst: Het beroep tegen de gedeeltelijke intrekking van de ontheffing wordt ongegrond verklaard en de intrekking bevestigd.