Appellante, een landbouwmaatschap, betwistte de vaststelling door verweerder van de subsidiabele oppervlakte van diverse percelen in het kader van de toewijzing van betalingsrechten en uitbetaling van basis- en vergroeningsbetalingen voor 2015 onder het GLB. Verweerder had bij de bestreden besluiten onder meer perceel 10 gekort vanwege een greppel die als niet-subsidiabel was aangemerkt.
Appellante voerde aan dat de greppel niet zodanig diep was en dat vee er weidde, hetgeen door foto’s werd ondersteund. Verweerder had dit niet gemotiveerd weersproken. Het College oordeelde dat verweerder onvoldoende had gemotiveerd waarom de greppel niet subsidiabel was en dat de 2%-marge niet toegepast kon worden terwijl sprake was van een duidelijke verandering in het veld.
Voor de overige percelen was het verschil tussen de aangevraagde en vastgestelde oppervlakte minder dan 2%, waardoor verweerder die referentiepercelen mocht handhaven. Het College vernietigde de bestreden besluiten wegens strijd met het motiveringsbeginsel en droeg verweerder op binnen zes weken nieuwe besluiten te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Tevens werden proceskosten aan appellante toegekend.