KPN stelde hoger beroep in tegen vier boetebesluiten van ACM wegens het niet naleven van de non-discriminatie- en transparantieverplichtingen uit de Telecommunicatiewet en het Marktanalysebesluit Wholesale-breedbandtoegang. De rechtbank Rotterdam verklaarde de beroepen tegen drie besluiten ongegrond en het beroep tegen het vierde besluit gegrond.
In hoger beroep oordeelde het College dat ACM ten onrechte een strikte aankondigingstermijn van minimaal twee maanden hanteerde voor de transparantieverplichting, terwijl de verplichting slechts een redelijke termijn voorschreef. ACM had nagelaten te onderzoeken of de door KPN gehanteerde termijnen redelijk waren, waardoor ACM tekortschiet in haar motiverings- en onderzoeksverplichting. Daarom vernietigde het College de boetes die verband hielden met de transparantieverplichting.
Ten aanzien van de non-discriminatieverplichting oordeelde het College dat KPN niet aannemelijk had gemaakt dat een test was uitgevoerd, waardoor een boete op zijn plaats was, maar verlaagde het bedrag vanwege de beperkte omvang en economische effecten. Ook werd een korting van 5% toegepast wegens overschrijding van de redelijke termijn. Het incidenteel hoger beroep van ACM tegen de vernietiging van het vierde besluit werd ongegrond verklaard. Het College veroordeelde ACM tot vergoeding van proceskosten aan KPN.