Appellant kreeg een randvoorwaardenkorting van 20% opgelegd op zijn rechtstreekse betalingen over 2015 vanwege het niet emissiearm aanwenden van dierlijke mest op een perceel. Dit was vastgesteld tijdens een controle door de NVWA op 19 februari 2015. Appellant gaf een loonbedrijf opdracht voor het uitrijden van mest, maar de mest werd niet volgens de emissiearme methode toegepast.
Appellant voerde aan dat hij te laat op de hoogte was gesteld van de controle en dat het handelen van het loonbedrijf hem niet kon worden toegerekend omdat hij instructies had gegeven en toezicht hield. Het College verwierp deze bezwaren, onder meer omdat de kennisgeving binnen de wettelijke termijn niet strikt noodzakelijk is voor het opleggen van korting en appellant nalatig was in het toezicht op de mesttoepassing.
Het College verwees naar jurisprudentie van het Hof van Justitie dat een begunstigde aansprakelijk kan zijn voor inbreuk door een derde indien sprake is van opzet of nalatigheid. Het ontbreken van een evaluatiegedeelte in het inspectierapport en het late informeren van appellant rechtvaardigen geen matiging van de korting. De reguliere korting van 20% blijft gehandhaafd en het beroep wordt ongegrond verklaard.