Uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
uitspraak van de meervoudige kamer van 15 maart 2018 in de zaak tussen
V.o.f. [naam 1] , te [plaats] , appellante
de staatssecretaris van Economische Zaken, verweerder
Procesverloop
Overwegingen
13 mei 2016 voor wat betreft de mogelijkheid daartegen in rechte op te komen niet kan worden gelijkgesteld met een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb, zodat daartegen geen bezwaar of beroep openstaat. De mededeling van verweerder in de brief van 13 mei 2016 dient te worden aangemerkt als een oordeel omtrent een rechtens bestaande situatie, waartegen, bij gebreke van bijzondere omstandigheden die tot een ander oordeel dwingen, geen rechtsbescherming door de bestuursrechter open staat.
Beslissing
- vernietigt het bestreden besluit;
- verklaart het bezwaar niet-ontvankelijk voor zover gericht tegen de beslissing van verweerder van 13 mei 2016;
- bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 334,- aan appellante te vergoeden;