Uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
uitspraak van de meervoudige kamer van 28 september 2017 in de zaak tussen
V.o.f. [naam 1] , te [plaats] , appellante
de staatssecretaris van Economische Zaken, verweerder
Procesverloop
Overwegingen
°. geheel en rechtstreeks, blijkens een schriftelijke en vooraf gesloten overeenkomst, onder bij regeling van Onze Minister te stellen voorwaarden overdraagt of laat overdragen aan een hemelsbreed hoogstens twintig kilometer van de productielocatie verwijderd liggende locatie van bedrijven indien de overgedragen dierlijke meststoffen op landbouwgrond aangewend worden,
19 mei 2016 voor wat betreft de mogelijkheid daartegen in rechte op te komen niet kan worden gelijkgesteld met een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb, zodat daartegen geen bezwaar of beroep openstaat. Het College verwijst in dit verband nog naar de uitspraak van het College van 28 december 2016 (ECLI:NL:CBB:2016:405) en volgt, in aanmerking genomen het gestelde onder 3 in de conclusie van staatsraad advocaat-generaal Widdershoven van 12 november 2014 over meldingenstelsels (RVS:2014:4116) en in samenhang bezien met de hiervoor in 7.2 vervatte overweging, niet de door de gemachtigde van verweerder ter zitting bepleite conclusie overeenkomstig de uitspraak van het College van 19 juni 2001 (ECLI:NL:CBB:2001:AB2221). De staatssecretaris had het door appellante gemaakte bezwaar gelet op het voorgaande in zoverre niet-ontvankelijk dienen te verklaren. Het beroep is in zoverre gegrond. Het bestreden besluit moet worden vernietigd, onder bepaling dat met toepassing van artikel 8:72, derde lid, onder b, van de Awb het bezwaar van appellante tegen de brief van 19 mei 2016 niet-ontvankelijk wordt verklaard en dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit.