In deze meervoudige bestuursrechtelijke procedure betwist appellante de verlaging van haar bedrijfstoeslag en de opgelegde randvoorwaardenkorting voor de jaren 2011 en 2012. Verweerder had de toeslag verlaagd omdat percelen niet voor eigen rekening en risico werden gebruikt en een korting toegepast wegens overschrijding van de meststofgebruiknorm.
Het College overweegt dat de percelen 17 tot en met 21 in 2011 niet tot het bedrijf van appellante behoorden omdat zij deze niet voor landbouwactiviteiten gebruikte en de pachter het beheer had. Dit rechtvaardigt de verlaging van de toeslag en de korting. Het beroep tegen deze besluiten wordt ongegrond verklaard.
Voor het jaar 2012 stelt het College echter vast dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat appellante opzettelijk een te hoge aangifte deed. De motivering ontbrak om bewustzijn of aanvaarding van de kans op een te hoge aangifte aan te nemen. Daarom wordt het besluit over 2012 vernietigd en verweerder opgedragen een nieuw besluit te nemen.
Daarnaast veroordeelt het College verweerder tot betaling van proceskosten aan appellante. Het beroep op het ne bis in idem-beginsel faalt omdat de randvoorwaardenkorting geen punitieve sanctie is.
De uitspraak bevestigt de toepassing van Europese regelgeving op bedrijfstoeslagen en het belang van voldoende motivering bij beschuldigingen van opzet.