ECLI:NL:CBB:2018:255
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening fosfaatrechten bij uitbreiding melkveebedrijf
Verzoekster, een melkveehouder, had bij de minister bezwaar gemaakt tegen de vaststelling van haar fosfaatrechten en verzocht om ontheffing om meer fosfaat te mogen produceren dan toegekend. De minister had het fosfaatrecht vastgesteld op 6.406 kilogram, terwijl verzoekster 11.477 kilogram nodig achtte voor haar volledige veestapel.
Verzoekster startte in 2013 met uitbreiding van haar bedrijf en had de benodigde vergunningen verkregen. De groei van het bedrijf was op 2 juli 2015 nog niet volledig gerealiseerd, waardoor het toegewezen fosfaatrecht onvoldoende was om de productiecapaciteit te benutten. Verzoekster stelde dat het niet toekennen van extra fosfaatrechten haar bedrijfscontinuïteit bedreigde en dat er geen sprake was van een fair balance zoals vereist door artikel 1 van Pro het Eerste Protocol bij het EVRM.
De voorzieningenrechter oordeelde dat de minister te laat had beslist op het verzoek om ontheffing, maar dat er inmiddels een hoorzitting gepland stond en spoedige besluitvorming daardoor gewaarborgd was. De rechter vond geen aanleiding om op voorhand extra fosfaatrechten toe te kennen, omdat niet duidelijk was dat verzoekster daar recht op had. Wel werd de minister veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.
De uitspraak benadrukt dat de toetsing aan het EVRM onderdeel is van de bezwaarprocedure en dat individuele disproportionele lasten moeten worden beoordeeld in de lopende besluitvorming. De verzoeken om voorlopige voorziening werden afgewezen.
Uitkomst: Verzoek om voorlopige voorziening voor extra fosfaatrechten werd afgewezen; proceskosten werden toegewezen aan verzoekster.