Uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
uitspraak van de meervoudige kamer van 26 juni 2018 op het hoger beroep van:
[naam 1] , te [plaats] , appellant,
tegen de uitspraak van de accountantskamer van 26 juli 2017, gegeven op een klacht, door appellant ingediend tegen [naam 2] , betrokkene.
Procesverloop in hoger beroep
Betrokkene is verschenen, bijgestaan door haar kantoorgenoot, [naam 4] .
Grondslag van het geschil
Uitspraak van de accountantskamer
leugendat het bedrag van € 125.000 de eindstand per 31-12-2003 is van een rekening-courant schuld aan [naam 5] van fl. 70.000 als beginstand per 27-09-1991. Ook dat het bedrag van fl. 150.000 element is van de betaling van € 125.000 (…) is een pertinente onwaarheid.
Vordering 2” NLG 70.000 geen onderwerp van debat.
Beoordeling van het geschil in hoger beroep
Betrokkene heeft in hoger beroep ten aanzien van het derde klachtonderdeel verduidelijkt dat dit klachtonderdeel ziet op de stelling van betrokkene dat vordering 2 onderwerp van debat is in de appèl- en cassatieprocedure tussen [naam 8] en [naam 7] , welke stelling volgens hem bewust onjuist, misleidend en dus te kwader trouw is aangevoerd. De accountantskamer heeft dit klachtonderdeel echter niet-ontvankelijk verklaard. Het College constateert dat appellant geen grief naar voren heeft gebracht tegen de niet-ontvankelijkverklaring van klachtonderdeel 3. Dit betekent dat de beslissing van de accountantskamer dit klachtonderdeel niet-ontvankelijk te verklaren, in stand blijft. Het College komt daarom niet toe aan het inhoudelijke betoog van appellant ten aanzien van klachtonderdeel 3.