ECLI:NL:CBB:2018:327

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Datum uitspraak
10 juli 2018
Publicatiedatum
12 juli 2018
Zaaknummer
17/1655
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:21 Awb
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep niet-ontvankelijk wegens ondercuratelestelling en ontbreken toestemming curator

Appellant heeft beroep ingesteld tegen een besluit van de Kamer van Koophandel inzake een bestuurswisseling bij een B.V. Echter, appellant is onder curatele gesteld wegens zijn lichamelijke en geestelijke toestand en drankmisbruik, waarbij een curator is benoemd.

Het College heeft de curator gevraagd of zij toestemming geeft voor het voeren van de beroepsprocedure, maar deze heeft dit geweigerd. Appellant heeft een deskundigenbericht overgelegd waarin staat dat hij normaal gesproken goed in staat is zijn wil te bepalen, maar dit bericht betrof het opmaken van een testament en niet de redelijke waardering van zijn belangen in het bestuursrechtelijk beroep.

Het College oordeelt dat appellant niet in staat is tot een redelijke waardering van zijn belangen zoals vereist in artikel 8:21, tweede lid, van de Awb, en zonder toestemming van de curator kan hij niet zelf in het geding optreden. Daarom is het beroep niet-ontvankelijk verklaard, en is niet inhoudelijk op het beroep ingegaan.

Uitkomst: Het beroep van appellant wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken toestemming curator en ondercuratelestelling.

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 17/1655
24301

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 juli 2018 in de zaak tussen

[naam 1] , te [plaats] , appellant

en

de Kamer van Koophandel, verweerster

(gemachtigde: mr. E. Goos).
Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: Veen en Veste Bewind en Budget B.V., curator van appellant, kantoorhoudende te Emmer-Compascuum.

Procesverloop

Bij besluit van 24 augustus 2017 (het primaire besluit) heeft verweerster besloten tot inschrijving in het handelsregister van de opgaven gedaan door appellant van een bestuurswisseling bij [naam 2] B.V.
Bij besluit van 15 september 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerster het bezwaar van derde-partij tegen het primaire besluit gegrond verklaard en het primaire besluit herroepen.
Appellant heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.
Derde-partij heeft een reactie ingediend.
Appellant heeft nadere stukken ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 juni 2018.
Appellant is verschenen. Verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Namens derde-partij is verschenen mr. [naam 3] .

Overwegingen

1. In artikel 8:21, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat natuurlijke personen, die onbekwaam zijn om in rechte te staan, in het geding worden vertegenwoordigd door hun vertegenwoordigers naar burgerlijk recht. In artikel 8:21, tweede lid, van de Awb is bepaald dat de in het eerste lid bedoelde personen zelf in het geding kunnen optreden, indien zij tot redelijke waardering van hun belangen in staat kunnen worden geacht.
2. Bij beschikking van 9 december 2015 heeft de kantonrechter van de rechtbank Noord-Nederland appellant wegens zijn lichamelijke of geestelijke toestand en wegens gewoonte van drankmisbruik onder curatele gesteld en derde-partij tot curator benoemd. Bij beschikking van 1 november 2016 (ECLI:NL:GHARL:2016:8916) heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden de beschikking van de kantonrechter bekrachtigd. Bij beschikking van 6 oktober 2017 (ECLI:NL:HR:2017:2562) heeft de Hoge Raad het cassatieberoep van appellant verworpen.
Appellant is gelet op het voorgaande onbekwaam in de zin van artikel 8:21, eerste lid, van de Awb.
3. Het College heeft derde-partij als wettelijke vertegenwoordiger van appellant verzocht aan te geven of zij appellant toestemming geeft onderhavige beroepsprocedure te voeren. Bij e-mail van 6 april 2018 en tijdens de zitting van het College van 28 juni 2018 heeft de derde-partij (de curator) verklaard dat zij appellant geen toestemming verleent onderhavig beroep te voeren.
4. Appellant heeft ter onderbouwing van zijn stelling dat hij in staat is zijn wil te verklaren bij brief van 28 maart 2018 een deskundigenbericht van 12 februari 2018 van [naam 4] , psychiater, overgelegd. Dit bericht is opgesteld in opdracht van de rechtbank Noord-Nederland in het kader van het verzoek aan deze rechtbank tot het verlenen van machtiging voor het opmaken van een testament.
5. Bij brief van 11 juni 2018 heeft mr. F.A. Keuning namens appellant het College meegedeeld dat appellant weliswaar onder curatele is gesteld, doch blijkens voornoemd deskundigenbericht normaal gesproken goed in staat is zijn wil te bepalen en zijn belangen zelf te behartigen.
6. Het College is niet gebleken dat appellant in weerwil van de ondercuratelestelling zelf in het geding kan optreden, omdat hij tot een redelijke waardering van zijn belangen in staat zou kunnen worden geacht, als bedoeld in artikel 8:21, tweede lid, van de Awb. Het door appellant ingebrachte deskundigenbericht van 12 februari 2018 leidt niet tot een ander oordeel, reeds omdat dit bericht ziet op de vraag of appellant voldoende in staat is zijn wil te verklaren met het oog op het opmaken van een testament en niet op de vraag of hij tot een redelijke waardering van zijn belangen in staat kan worden geacht. Het College acht appellant dan ook niet in staat tot een redelijke waardering van zijn in beroep betrokken belangen, als bedoeld in artikel 8:21, tweede lid, van de Awb.
7. Het beroep is dus niet-ontvankelijk. Dit betekent dat het College niet toekomt aan een inhoudelijke beoordeling van het beroep van appellant.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Smorenburg, in aanwezigheid van mr. A. El Markai, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 juli 2018.
w.g. M.M. Smorenburg w.g. A. El Markai